Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant] en
[appellante],
1.MAATSCHAP [geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2],
[geïntimeerde 3],
1.De gedingen in hoger beroep
2.Feiten
en derden.
3.Beoordeling
nietis aangepast. Tussen partijen staat, voorts, niet ter discussie dat het door de makelaar gegeven antwoord op dat moment niet onjuist was en dat het (hoofd)tracé voor de nutsvoorzieningen pas na de levering van de bouwkavel op instigatie van de nutsbedrijven is gewijzigd. Daarom is hier artikel 5.6 van de koopovereenkomst met betrekking tot de bouwkavel van belang. Deze bepaling luidt, voor zover relevant:
nade levering, zoals hier het geval was, (zonder meer al) voor rekening van [appellanten] zou komen. Hun advocaat heeft ter zitting betoogd dat de uitlating van de makelaar “overige nuts ligt in de weg en kan door koper worden aangevraagd” als een in zoverre aan artikel 5.6 derogerende bepaling moet worden beschouwd, maar het hof acht het onjuist aan deze mededeling deze betekenis toe te kennen. Het neemt hierbij in aanmerking dat [appellanten] in hun voormelde e-mail geen schrapping van de geciteerde passage uit artikel 5.6 hebben bepleit of zelfs maar aan die bepaling hebben gerefereerd. De door de advocaat van [appellanten] ter zitting ter verdediging/verklaring hiervan genoemde omstandigheid dat [appellant] geen jurist is, maakt dat niet anders. [appellanten] hebben onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de makelaar van de maatschap de onderhavige e-mail van [appellanten] anders had moeten uitleggen dan hij heeft gedaan. Het feit dat [geïntimeerde 3] gedurende het jaar 2017 contact heeft gehad met [appellant] , de gemeente, adviseurs en nutscoördinatoren, waarbij hij naar eigen zeggen de formele aanvrager was, doet niet af aan voormeld oordeel van het hof. In dit verband wordt nog opgemerkt dat weliswaar tussen partijen vaststaat dat de maatschap tot de aanleg van aansluitingsmogelijkheden van de kavel op de nutsvoorzieningen
jegens de gemeenteverplicht was op grond van de onder 2 (b) genoemde in 2014 gesloten overeenkomst, maar dat daaruit niet voortvloeit dat zij dit ook
jegens [appellanten]was. Dat de maatschap in die tijd [appellanten] nimmer heeft laten weten dat zij – jegens hen – niet verantwoordelijk was voor de aansluiting van de nutsvoorzieningen levert, in het licht van haar gehoudenheid ten opzichte van de gemeente, evenmin een omstandigheid op waaruit [appellanten] in redelijkheid mochten afleiden dat de maatschap te dezen wel verantwoordelijk was.
in de wegals een eigenschap van de bouwkavel moet worden beschouwd – het hof laat dat in het midden – bepaalt artikel 5.3 van de onderhavige koopovereenkomst dat partijen als het normale gebruik van de te leveren kavel beschouwen ‘grond met de bestemming woondoeleinden’. Dit is wat de maatschap aan [appellanten] hebben geleverd. Niet valt in te zien dat en waarom de omstandigheid dat de bouwkavel ten tijde van de levering niet op de nutsvoorzieningen kon worden aangesloten met zich zou brengen dat hij niet aan de overeenkomst beantwoordde in die zin dat hij niet voor het overeengekomen doel als zojuist vermeld kon worden gebruikt. Hiermee strookt dat ook [appellanten] blijkens hun voornoemde e-mail van 7 december 2016 niet verwachtten dat aansluitmogelijkheden op in de weg gelegen nutsvoorzieningen een eigenschap was van de door hen gekochte bouwkavel. Indien dat anders was geweest, hadden zij namelijk deze mail niet hoeven schrijven of hadden ze er wel aan toegevoegd dat zij dit (slechts) voor alle zekerheid deden.
grief II in incidenteel appelkomen beide op tegen de door de rechtbank in de overwegingen 4.9 tot en met 4.11 van het deelvonnis gegeven oordelen met betrekking tot het verzuim van de maatschap.
aanwezig zijn, aangezien onze woning anders onbewoonbaar is.
grief III in principaal appelkomen [appellanten] onder meer op tegen de afwijzing door de rechtbank bij het deelvonnis van de door hen op grond van artikel 10.3 van de koopovereenkomst met betrekking tot de bouwkavel gevorderde boete van € 108.576,00 (156 dagen x 0,3% x € 232.000,00) vanwege, kort gezegd, het riool en de nutsvoorzieningen. Met
grief III in incidenteel appelkomen de maatschap c.s. op tegen hun veroordeling bij het deelvonnis tot betaling aan [appellanten] van een bedrag van – in totaal – € 1.194,32, met rente, wegens door laatstgenoemden als gevolg van de door de rechtbank ter zake aangenomen wanprestatie van de maatschap geleden schade, alsmede het wegens buitengerechtelijke incassokosten bij dat vonnis toegewezen bedrag van € 177,92, met rente.
grief IV in incidenteel appel, hun desbetreffende vordering thans onvoorwaardelijk ingesteld en vermeerderd tot (aanvankelijk) een bedrag van € 4.680,17.
grief V in incidenteel appelkomen de maatschap c.s. op tegen de door de rechtbank bij het deelvonnis op vordering van [appellanten] uitgesproken verklaring voor recht dat de juridische grens tussen de agrarische kavel en het aan de oostzijde daarvan grenzende perceel van de maatschap is gelegen aan de onderkant van het talud van de agrarische kavel, dus op de watergrens van de sloot, alsmede tegen het aan de maatschap c.s. gegeven gebod hun medewerking te verlenen aan kadastrale registratie/ inmeting van deze erfgrens. Tevens houdt de grief in dat de tegenvordering van de maatschap c.s., welke ertoe strekt dat voor recht wordt verklaard dat de erfgrens tussen deze beide percelen wordt gevormd door het hart van de daar aanwezige sloot, alsnog wordt toegewezen.
grieven II en III (gedeeltelijk) in principaal appelhouden in dat de rechtbank ten onrechte heeft afgewezen de vordering van [appellanten] tot betaling van een boete van € 696,00 per dag vanaf 17 november 2019 wegens de niet nakoming door de maatschap van haar verplichting tot de bestrating van de inritten van beide door [appellanten] van haar gekochte percelen. Meer concreet zijn deze grieven gericht tegen overweging 4.27 van het deelvonnis.
meenden(mogelijk de een in navolging van de ander) dat de schriftelijke koopovereenkomsten, althans die met betrekking tot de agrarische kavel, inhielden dat de kosten van bestrating voor rekening van de maatschap zou komen, terwijl vaststaat dat zulks niet het geval was. Tegen deze achtergrond had het op de weg van [appellanten] gelegen concrete feiten en omstandigheden te stellen met betrekking tot de vraag hoe en wanneer de (door hen gestelde nadere) afspraak met betrekking tot de bestrating van de inritten tot stand is gekomen. Dit hebben zij echter niet gedaan. En al zou moeten worden geoordeeld dat [appellanten] wel aan hun stelplicht ter zake hebben voldaan, dan overweegt het hof dat de maatschap c.s. de onderhavige stelling hebben betwist en dat [appellanten] , op wie te dezen de bewijslast rust, in hoger beroep geen (voldoende concreet en specifiek) bewijsaanbod hebben gedaan. De gestelde (nadere) afspraak is dus niet komen vast te staan en de maatschap is ter zake dan ook geen boeten aan [appellanten] verschuldigd.
grieven IV tot en met VIII in principaal appelkunnen gezamenlijk worden besproken, omdat zij zich alle richten tegen de beslissing van de rechtbank de vorderingen van [appellanten] met betrekking tot de agrarische kavel (zoals hiervoor onder 3.1, c tot en met f vermeld) af te wijzen, alsmede tegen de gronden waarop die beslissing is gebaseerd.
grief IX in principaal appelkomen [appellanten] op tegen de beslissing van de rechtbank in overweging 2.18 van het eindvonnis om de vordering tot veroordeling van de maatschap c.s. in de door [appellanten] gemaakte beslagkosten af te wijzen omdat [appellanten] geen beslagstukken hebben overgelegd.
Grief X in principaal appel, waarmee [appellanten] opkomen tegen de door de rechtbank gegeven beslissingen met betrekking tot de proceskosten, faalt dan ook, terwijl
grief VI in incidenteel appel, die inhoudt dat de rechtbank ten onrechte de kosten in conventie en in reconventie tussen partijen heeft gecompenseerd, gegrond is.