ECLI:NL:GHAMS:2022:2698
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof bevestigt gedeeltelijke ontbinding aannemingsovereenkomst en toewijzing vordering tot terugbetaling
Appellant heeft in hoger beroep een vonnis van de kantonrechter aangevochten waarin zijn vordering tot betaling van € 25.000 wegens onverschuldigde betalingen aan geïntimeerde werd afgewezen. De aannemingsovereenkomst tussen partijen betrof werkzaamheden aan een woning, waarbij appellant reeds een groot deel van de aanneemsom en meerwerk had betaald.
De kantonrechter oordeelde dat er een rechtsgrond bestond voor de betalingen omdat meerwerk was overeengekomen en ontbinding geen terugwerkende kracht heeft. Appellant voerde in hoger beroep aan dat geïntimeerde wanprestatie had gepleegd door niet alle overeengekomen werkzaamheden uit te voeren en materialen niet te leveren, waardoor hij de overeenkomst gedeeltelijk had ontbonden en recht had op terugbetaling.
Het hof stelde vast dat geïntimeerde na sommatie in verzuim was geraakt en appellant de overeenkomst terecht gedeeltelijk had ontbonden. De ongedaanmakingsverplichting van geïntimeerde werd vastgesteld op € 25.000, een bedrag dat appellant om proceseconomische redenen had beperkt. Het hof veroordeelde geïntimeerde tot betaling van dit bedrag plus wettelijke rente en de proceskosten, en vernietigde het bestreden vonnis.
Uitkomst: Het hof veroordeelt geïntimeerde tot betaling van € 25.000 en terugbetaling van € 605 met rente en proceskosten, en vernietigt het bestreden vonnis.