Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
grief 1– ingetrokken.
grief 2komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank, vervat in de overwegingen 4.7 tot en met 4.9 van het bestreden vonnis, dat de schadevergoedingsvordering van [appellant] (vgl. 3.1 onder 3) is verjaard op grond van het bepaalde in artikel 3:310 lid 1 BW Pro. Volgens de rechtbank is de verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen in 2011, omdat [appellant] toen is zijn geraakt met de door Aerdenburgh gelegde beslagen en daarmee op de hoogte was van alle feiten waaruit voor hen schade zou kunnen voortvloeien. Ook was hij bekend met degene die voor de beslaglegging aansprakelijk was, te weten Aerdenburgh. De rechtbank oordeelde dat de verjaringstermijn daarom is geëindigd in 2016. Voor zover de brieven die de advocaat van [appellant] c.s. stelt in 2012 en 2013 aan Aerdenburgh te hebben gestuurd al als stuitingshandelingen zouden kunnen worden aangemerkt, zijn ook daarna vijf jaren verstreken alvorens Aerdenburgh (op 3 mei 2019) in deze zaak door [appellant] c.s. is gedagvaard, aldus – nog steeds – de rechtbank.
[appellant]geleden schade.