In deze zaak staat centraal welk bedrag appellant maandelijks aan geïntimeerde moet betalen op grond van een pensioenvereveningsafspraak in een echtscheidingsconvenant uit 1993. De rechtbank had appellant veroordeeld tot betaling van een bedrag van €371,88 per maand vanaf 1 december 2018. Appellant stelde in hoger beroep dat dit bedrag te hoog was en wijzigde zijn eis bij memorie van grieven.
Geïntimeerde is niet verschenen in hoger beroep en er is verstek verleend. Het hof oordeelt dat de eiswijziging van appellant niet tijdig bij exploot aan geïntimeerde is kenbaar gemaakt, waardoor deze eiswijziging niet toelaatbaar is. De gronden in de memorie van grieven zijn sterk verweven met deze niet-toelaatbare eiswijziging, zodat niet duidelijk is waarom het bestreden vonnis anders zou moeten worden vernietigd.
Het hof concludeert dat appellant onvoldoende kenbaar heeft gemaakt waarom het vonnis van de rechtbank zou moeten worden vernietigd, anders dan vanwege de niet-toelaatbare gewijzigde eis. Daarom wordt het hoger beroep afgewezen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.