De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het bezit van stoffen en voorwerpen bestemd voor hennepteelt in zijn woning te Alkmaar. In hoger beroep stelde de verdediging een alternatief scenario voor waarbij de hennepplantages zonder medeweten van de verdachte waren opgebouwd. Het hof verwierp dit verweer vanwege gebrek aan bewijs en inconsistenties in de verklaringen van de verdachte.
De politie trof op 16 oktober 2017 in de woning twee bijna gereedstaande hennepkwekerijen aan, evenals groeimiddelen. De verdachte was aanwezig en kon zijn verblijf in Polen niet aannemelijk maken. Het hof achtte bewezen dat de verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat de stoffen en voorwerpen bestemd waren voor het plegen van een strafbaar feit volgens artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet.
Hoewel het hof dezelfde bewezenverklaring als de politierechter bevestigde, wijzigde het de strafoplegging. Gezien de verstreken tijd, de kwetsbare gezondheid van de verdachte en het feit dat het ging om financieel gewin, legde het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand op. De eerdere taakstraf werd daarmee vervangen. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd om proceseconomische redenen.