ECLI:NL:GHAMS:2021:983

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 april 2021
Publicatiedatum
12 april 2021
Zaaknummer
23-000294-20
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 123b WVWArt. 8 WVWArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis rijden onder invloed ondanks ne bis in idem-verweer

In deze strafzaak heeft het gerechtshof Amsterdam het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam, waarbij verdachte werd veroordeeld voor rijden onder invloed van alcohol. Verdachte voerde in hoger beroep een ne bis in idem-verweer aan, omdat hij in 2015 reeds een strafbeschikking had gekregen voor een soortgelijk feit, en stelde dat vervolging nu zou leiden tot dubbele bestraffing vanwege de recidiveregeling in artikel 123b WVW.

Het hof heeft dit verweer onderzocht en geoordeeld dat de recidiveregeling, waarbij het rijbewijs van rechtswege ongeldig wordt bij een onherroepelijke veroordeling voor rijden onder invloed binnen vijf jaar, niet als een afzonderlijke strafvervolging kan worden beschouwd. De regeling is voorzien en beoogd door de wetgever en heeft een punitieve werking, maar vormt geen straf in de zin van het ne bis in idem-beginsel.

De verdediging werd verworpen, mede omdat het effect van de recidiveregeling niet leidt tot onrechtmatige dubbele bestraffing. Het hof heeft de strafmotivering aangevuld en geoordeeld dat de door de politierechter opgelegde straffen passend zijn, gelet op het bloedalcoholgehalte van verdachte en diens eerdere veroordeling. Het hof bevestigt het vonnis van de politierechter en verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Uitkomst: Het hof bevestigt de veroordeling voor rijden onder invloed en verwerpt het ne bis in idem-verweer.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000294-20
datum uitspraak: 9 april 2021
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 27 januari 2020 in de strafzaak onder parketnummer
96-228084-19 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
26 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en de gronden waarop het berust en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer bespreekt en de strafmotivering zal aanvullen zoals hierna weergegeven.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Op grond van artikel 123b WVW verliest een rijbewijs zijn geldigheid, indien de houder bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak als bestuurder van een motorrijtuig is veroordeeld wegens onder andere overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, WVW indien het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde, lucht, een en ander voor zover ten tijde van het begaan van het strafbare feit nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de houder als bestuurder van een motorrijtuig onherroepelijk is veroordeeld wegens overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid WVW. Indien aan deze voorwaarden is voldaan, wordt het rijbewijs van rechtswege ongeldig op het moment waarop de veroordeling onherroepelijk wordt.
Aan de verdachte is in 2015 een strafbeschikking opgelegd wegens het rijden onder invloed. Indien het hof de verdachte voor het tenlastegelegde rijden onder invloed zou veroordelen, leidt dit ertoe dat op grond van deze recidiveregeling het rijbewijs van de verdachte de geldigheid voor alle categorieën van rechtswege zal verliezen. Dit betekent feitelijk een dubbele bestraffing, wat in strijd is met het
ne bis in idembeginsel.
De gevolgen van de recidiveregeling moeten voorts, gezien de daarmee gepaard gaande kosten, de langdurige beperking van de rijbevoegdheid en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, als
criminal chargeworden beschouwd en in elk geval als een gevolg met punitieve werking. De effecten van de recidiveregeling zijn vergelijkbaar met die van het voormalige alcoholslotprogramma. Daarvan hebben de Hoge Raad en de afdeling rechtspraak van de Raad van State beslist dat het in strijd was met het
ne bis in idem-beginsel.
Nu het rijbewijs van de verdachte na zijn aanhouding gedurende ongeveer twee maanden ingevorderd is geweest en hij zich heeft moeten onderwerpen aan een geschiktheidsonderzoek door een psychiater, verbonden aan het CBR, moet de overheidsreactie als geheel op de door de verdachte begane feiten als buitenproportioneel worden beschouwd.
De raadsman heeft daarom bepleit dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging, opdat de geschetste dubbele bestraffing voor het zelfde feit, die in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde en een eerlijk proces, wordt voorkomen.
De advocaat-generaal heeft het verweer weersproken.
De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging voor een met middelengebruik verband houdend verkeersdelict is door de omstandigheid dat een onherroepelijke veroordeling tot gevolg heeft dat het rijbewijs op grond van artikel 123b WVW van rechtswege zijn geldigheid verliest, niet in het geding. Het effect van het bepaalde in genoemd artikel is niet te beschouwen als een afzonderlijke strafvervolging ter zake van het zelfde feit. Daarom gaat ook de vergelijking met de rechtspraak over het alcoholslotprogramma niet op (vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2350).
Het genoemde effect is bij de invoering van het wetsartikel voorzien en beoogd. Ook de verdachte heeft dit effect kunnen voorzien en had daarmee rekening kunnen houden bij zijn beslissing om onder invloed van alcohol met zijn scooter aan het verkeer deel te nemen. Als de wetgever, zoals de raadsman nog heeft aangevoerd, voornemens is om de bedoelde recidiveregeling af te schaffen omdat deze geen toegevoegde waarde heeft, is dat aan de wetgever en is het niet aan de strafrechter om hierop vooruit te lopen.
Ten overvloede geldt nog dat, indien het verweer van de raadsman zou opgaan, dit zou leiden tot het onaanvaardbare gevolg dat recidive bij het rijden onder invloed in beginsel niet meer kan worden vervolgd.
Het verweer wordt verworpen.

Aanvulling op de motivering van de opgelegde straffen

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft bepleit dat, als de verdachte schuldig wordt verklaard, aan hem geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Gelet op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 maart 2021 is hij eerder bij strafbeschikking veroordeeld voor rijden onder invloed.
De verdachte heeft een scooter bestuurd, terwijl hij onder invloed van alcohol was. Het bloedalcoholgehalte was aanmerkelijk hoger dan is toegestaan, zodat hij een zeer gevaarzettende situatie in het leven heeft geroepen. Dit kan, anders dan de raadsman heeft bepleit, niet onbestraft blijven. Het hof moet enerzijds rekening houden met de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Die zijn hoger dan de door de politierechter opgelegde straffen. Rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die ter terechtzitting zijn gebleken, zijn, alles afwegende, de door de politierechter opgelegde straffen passend en geboden.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.C. Römer, mr. R.D. van Heffen en mr. M. Gonggrijp-van Mourik,
in tegenwoordigheid van mr. B. van Vliet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 april 2021.
Mrs. Van Heffen, Gonggrijp-van Mourik en Van Vliet zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]