In deze strafzaak heeft het gerechtshof Amsterdam het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam, waarbij verdachte werd veroordeeld voor rijden onder invloed van alcohol. Verdachte voerde in hoger beroep een ne bis in idem-verweer aan, omdat hij in 2015 reeds een strafbeschikking had gekregen voor een soortgelijk feit, en stelde dat vervolging nu zou leiden tot dubbele bestraffing vanwege de recidiveregeling in artikel 123b WVW.
Het hof heeft dit verweer onderzocht en geoordeeld dat de recidiveregeling, waarbij het rijbewijs van rechtswege ongeldig wordt bij een onherroepelijke veroordeling voor rijden onder invloed binnen vijf jaar, niet als een afzonderlijke strafvervolging kan worden beschouwd. De regeling is voorzien en beoogd door de wetgever en heeft een punitieve werking, maar vormt geen straf in de zin van het ne bis in idem-beginsel.
De verdediging werd verworpen, mede omdat het effect van de recidiveregeling niet leidt tot onrechtmatige dubbele bestraffing. Het hof heeft de strafmotivering aangevuld en geoordeeld dat de door de politierechter opgelegde straffen passend zijn, gelet op het bloedalcoholgehalte van verdachte en diens eerdere veroordeling. Het hof bevestigt het vonnis van de politierechter en verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.