ECLI:NL:GHAMS:2021:4329

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 maart 2021
Publicatiedatum
18 februari 2022
Zaaknummer
23-000650-20
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 OpiumwetArt. 3a OpiumwetArt. 30 SvArt. 38 SvArt. 40 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugwijzing zaak wegens niet tijdige kennisgeving terechtzitting aan raadsvrouw

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter te Amsterdam van 22 november 2019, heeft het gerechtshof Amsterdam op 10 maart 2021 geoordeeld over een procedurele klacht van de raadsvrouw van de verdachte. De raadsvrouw stelde dat zij niet tijdig op de hoogte was gebracht van de terechtzitting in eerste aanleg, ondanks haar inspanningen om zich als raadsvrouw te stellen.

De tenlastelegging betrof het voorbereiden en bevorderen van het telen, bereiden en verhandelen van cocaïne en heroïne, alsmede het aanwezig hebben van kleine hoeveelheden van deze middelen. De raadsvrouw had zich bij het openbaar ministerie gemeld met het verzoek om kennisneming van de processtukken en om op de hoogte gehouden te worden van de zaak, maar ontving geen parketnummer en werd niet geïnformeerd over de zitting.

Het hof stelde vast dat het verzuim niet aan de verdediging te wijten was, maar aan tekortkomingen bij het openbaar ministerie. Hierdoor was de raadsvrouw niet op de juiste wijze geïnformeerd, wat een schending van artikel 48 Sv Pro oplevert. Daarom vernietigde het hof het vonnis en wees de zaak terug naar de politierechter voor een nieuwe inhoudelijke behandeling.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en wijst de zaak terug naar de politierechter wegens niet tijdige kennisgeving aan de raadsvrouw.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000650-20
datum uitspraak: 10 maart 2021
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 22 november 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-183327-19 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1963,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
10 maart 2021.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal om de zaak terug te wijzen naar de politierechter in de rechtbank Amsterdam, en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht. De raadsvrouw heeft primair om terugwijzing naar de politierechter verzocht en subsidiair onderzoekwensen naar voren gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 9 januari 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne en/of heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen opzettelijk stoffen, te weten
- een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) coffeïne en paracetamol en/of
- een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) lidocaïne en fenacetine en/of
- een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) fenacetine en/of
- een tafelweegschaal en/of
- acht scharen en/of
- een of meerdere analoge weegschalen en/of
- een of meerdere fles(sen) ammoniak en/of
- een of meerdere rol(len) vershoudfolie en/of
- een of meerdere slikkersbol(len) en/of
- een of meerdere rol(len) tape en/of
- een of meerdere blender(s) en/of
- een mondkapje voorhanden heeft gehad,
waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);
2.
hij op of omstreeks 9 januari 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,37 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 1,07 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde in elk geval (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Beoordeling van het verzoek om terugwijzing van de zaak

De raadsvrouw heeft het hof verzocht het vonnis in eerste aanleg te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar de politierechter in de rechtbank Amsterdam. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de politierechter niet aan de inhoudelijke behandeling van de zaak had mogen toekomen nu ten onrechte is nagelaten haar, ondanks haar inspanningen zich als raadsvrouw te stellen, op de hoogte te stellen van de terechtzitting in eerste aanleg. Dat zij zich niet tijdig bij de griffie van de rechtbank als raadsvrouw heeft gesteld kan haar niet worden verweten, aangezien zij ondanks een verzoek aan het openbaar ministerie, niet beschikte over het parketnummer van de zaak, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt als volgt.
Bij brief van 3 april 2018 heeft de raadsvrouw het openbaar ministerie onder vermelding van het desbetreffende proces-verbaalnummer (2018006806) bericht dat haar cliënt – de verdachte – is aangehouden en op 29 maart 2018 is gehoord ter zake van de Opiumwet, dat zij verzoekt om kennisneming van de processtukken op de voet van artikel 30, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en dat zij zich stelt als de raadsvrouw van de verdachte met het verzoek om op de hoogte te worden gehouden van alle ontwikkelingen in de zaak.
In reactie hierop is, namens de officier van justitie, onder vermelding van ‘30SV_2018006805_Ogu’
(het hof begrijpt: 2018006806)aan de raadsvrouw op 5 april 2018 bericht dat uit een eerste inventarisatie is gebleken dat de door de raadsvrouw gevraagde stukken niet op zijn/haar parket aanwezig zijn en dat hij/zij contact zal opnemen met de politie en de raadsvrouw nog nader zal informeren over zijn/haar beslissing op het verzoek. In deze brief wordt geen parketnummer genoemd.
De verdachte is in eerste aanleg op 22 november 2019 bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Het dossier bevat geen brief met een kennisgeving van de terechtzitting in eerste aanleg aan de raadsvrouw.
Sinds 1 maart 2017 geldt dat op grond van de artikelen 38 en 40 Sv de gekozen raadsvrouw en de (door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand) aangewezen raadsvrouw van hun optreden voor de verdachte kennis geven aan de hulpofficier van justitie, de officier van justitie en in bepaalde gevallen aan de rechter-commissaris (wet van 17 november 2016, Stb. 476).
Het hof stelt vast dat de raadsvrouw zich bij het openbaar ministerie onder vermelding van het (juiste) proces-verbaalnummer had gesteld en dat zij – ondanks een daartoe strekkend verzoek en de toezegging daaromtrent door het openbaar ministerie – niet op de hoogte is gehouden van de ontwikkelingen in de zaak, dus ook niet van de beslissing de verdachte te vervolgen en diens dagvaarding om te verschijnen ter zitting. Bij deze stand moet worden geconstateerd dat het verzuim van de raadsvrouw zich (op de juiste wijze) bij de griffie van de rechtbank te stellen niet voor rekening van de verdediging komt. Dat beperkingen in de systemen of werkprocessen bij het openbaar ministerie hiertoe hebben geleid, maakt dat niet anders.
Dit heeft tot gevolg dat de raadsvrouw in de onderhavige zaak ten onrechte niet op de voet van artikel
48 Sv op de hoogte is gebracht van de terechtzitting in eerste aanleg. Voorts heeft zich geen omstandigheid voorgedaan waaruit voortvloeit dat die terechtzitting haar tevoren bekend was.
Dit brengt mee dat toepassing moet worden gegeven aan artikel 423, tweede lid, Sv, zodat de zaak zal worden teruggewezen naar de politierechter in de rechtbank Amsterdam.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst de zaak terug naar de politierechter in de rechtbank Amsterdam, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. M. Gonggrijp-van Mourik en mr. J.J.J. Schols, in tegenwoordigheid van mr. S.L.D. Vriend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 maart 2021.
mr. M. Gonggrijp-van Mourik is buiten staat dit arrest te ondertekenen.