ECLI:NL:GHAMS:2021:3179

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 oktober 2021
Publicatiedatum
25 oktober 2021
Zaaknummer
23-001237-18
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRMArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontnemingsvordering wegens verduistering in dienstbetrekking ondanks termijnoverschrijding

De verdachte werd door de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor verduistering in dienstbetrekking over de periode van 1 september 2008 tot en met 31 december 2009. Tevens werd hem een betalingsverplichting van €210.000 opgelegd ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in bij het gerechtshof Amsterdam. Tijdens de behandeling in hoger beroep stelde de raadsman dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, wat volgens hem invloed zou moeten hebben op de hoogte van de betalingsverplichting.

Het hof stelde vast dat de redelijke termijn inderdaad was overschreden, aangezien het hoger beroep op 6 april 2018 werd ingesteld en het arrest pas op 6 oktober 2021 werd gewezen. Desondanks oordeelde het hof dat deze termijnoverschrijding geen aanleiding gaf om de betalingsverplichting te verlagen, omdat deze overschrijding al in het voordeel van de verdachte was meegewogen bij de strafoplegging.

Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank en de betalingsverplichting van €210.000 aan de Staat. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 6 oktober 2021.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de veroordeling en de betalingsverplichting van €210.000 ondanks de overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001237-18
datum uitspraak: 6 oktober 2021
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van
de rechtbank Amsterdam van 27 maart 2018 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge
artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-845000-16 tegen
de betrokkene:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1951,
adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van € 210.000,00 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 maart 2018 – kort gezegd en voor zover van belang in de onderhavige procedure – veroordeeld ter zake van verduistering in dienstbetrekking in de periode van 1 september 2008 tot en met 31 december 2009.
Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 27 maart 2018 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van € 210.000,00 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Tegen beide vonnissen is namens de betrokkene hoger beroep ingesteld.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 oktober 2021 veroordeeld ter zake
van – kort gezegd en voor zover van belang in de onderhavige procedure – verduistering in dienstbetrekking in de periode van 1 september 2008 tot en met 31 december 2009.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
van 22 september 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het
Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman, mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof het verweer van de raadsman inzake de overschrijding van de redelijke termijn zal bespreken.

Redelijke termijn

Op de terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2021 heeft de raadsman verzocht zijn schriftelijke conclusie van 27 januari 2020 als herhaald en ingelast te beschouwen. In deze schriftelijke conclusie stelt de raadsman dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Deze omstandigheid dient, aldus de raadsman, van invloed te zijn op de op te leggen betalingsverplichting.
Het hof stelt met de raadsman vast dat in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in
artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden. Immers, het hoger beroep is ingesteld op
6 april 2018, terwijl het hof eerst thans – drie jaren en zes maanden later – arrest wijst. Anders dan de raadsman heeft betoogd, ziet het hof hierin geen aanleiding de betalingsverplichting lager vast te stellen dan het door de betrokkene genoten wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat het hof de overschrijding van de redelijke termijn reeds in het voordeel van de betrokkene mee heeft laten wegen in de straf van de tegen de hem aanhangige strafzaak.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Lolkema, mr. S. Clement en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van
mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
6 oktober 2021.
mr. Lolkema en mr. M. Gonggrijp-van Mourik zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]