Uitspraak
1.ZAAK 2
2.ZAAK 5
hoogwordt ingeschat, en dat de verdachte zich in het verleden herhaaldelijk onbetrouwbaar heeft getoond ten aanzien van het nakomen van gestelde voorwaarden, afspraken en regels. Verder heeft hij de onderhavige overval nota bene (samen met anderen) gepleegd enkele maanden nadat de hem in 2012 opgelegde PIJ-maatregel op 26 september 2017 voorwaardelijk was beëindigd. Uit zijn ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring kan worden opgemaakt dat de verdachte zich er bewust van is geweest dat hij met zijn betrokkenheid bij gekwalificeerde diefstal een bij die voorwaardelijke beëindiging gestelde voorwaarde overtrad (en dientengevolge de sportieve kans liep te worden teruggeplaatst in een Justitiële Jeugdinrichting). Ook dit heeft hem niet van het onder 1 bewezenverklaarde weerhouden. Gelet op dit een en ander is de maatschappij naar het oordeel van het hof niet in toereikende mate beschermd tegen het – op termijn – als hoog ingeschatte gevaar op geweldsdelicten dat de verdachte in zich bergt, als het bevel tot verpleging van overheidswege achterwege blijft. Daarbij is tevens de ernst van het onder 1 bewezenverklaarde in aanmerking genomen, alsook de omstandigheid dat de psychische problematiek van de verdachte als complex moet worden getypeerd. Dat de verdachte op de terechtzitting van 16 augustus 2021 heeft verklaard thans te bereid te zijn volledig mee te werken aan alle te stellen voorwaarden vindt het hof in het licht van het voorgaande onvoldoende geruststellend. In dat verband is tekenend dat de verdachte op de terechtzitting van 6 oktober 2020 de belofte heeft gedaan (volledig) mee te zullen werken aan het nader gedragskundig onderzoek, om vervolgens in het eerste kwartaal van 2021 te weigeren met de rapporterend deskundigen te spreken over een levensbepalende gebeurtenis als de door hem in 2012 begane moord en poging tot doodslag, ondanks herhaald aandringen van de psychiater.
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
€ 4.157,47 (vierduizend honderdzevenenvijftig euro en zevenenveertig cent) bestaande uit € 1.657,47 (duizend zeshonderdzevenenvijftig euro en zevenenveertig cent) aan materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
[benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.157,47 (vierduizend honderdzevenenvijftig euro en zevenenveertig cent) bestaande uit € 1.657,47 (duizend zeshonderdzevenenvijftig euro en zevenenveertig cent) aan materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
gijzelingop
ten hoogste 51 (eenenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.