ECLI:NL:GHAMS:2021:2435

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
8 juni 2021
Publicatiedatum
11 augustus 2021
Zaaknummer
000061-21
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 533 SvArt. 534 SvArt. 6 EVRMArt. 348 Sv
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing vergoeding kosten rechtsbijstand na sepot verkeersongeval onder invloed

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand in een strafzaak die is geseponeerd. De strafzaak betrof een verkeersongeval waarbij appellant onder invloed van alcohol verkeerde. De rechtbank wees het verzoek af op grond van het ontbreken van billijkheid vanwege het eigen schuldige gedrag van appellant.

Het hof overwoog dat artikel 530 en Pro 533 Sv vergoeding van kosten en schade mogelijk maken indien een zaak eindigt zonder strafoplegging, maar dat de rechter op grond van billijkheid vergoeding kan weigeren. Daarbij mag de raadkamer geen zelfstandig schuldvaststelling doen die strijdig is met de onschuldpresumptie. Gelet op de omstandigheden en de verklaring van appellant dat hij alcohol had gedronken, acht het hof de afwijzing van het verzoek terecht.

Voor de kosten van de verzoekschriftprocedure in eerste aanleg en hoger beroep acht het hof echter wel billijkheid aanwezig en kent het een vergoeding van € 830 toe. Het hoger beroep wordt daarom gedeeltelijk ongegrond verklaard en gedeeltelijk toegewezen.

De beschikking is uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam op 8 juni 2021.

Uitkomst: Hoger beroep ongegrond voor vergoeding kosten strafzaak, maar vergoeding toegekend voor kosten verzoekschriftprocedure van € 830.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000061-21 (530 Sv)
parketnummer in eerste aanleg: 96/155398-15
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Noord-Holland van 14 december 2020 op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. R.P.M. Kocken,
[adres].

1.Procesverloop

Het hoger beroep is op 17 december 2020 ingesteld namens verzoeker (hierna appellant).
Op 26 januari 2021 heeft de advocaat-generaal het standpunt van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 25 mei 2021 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet in raadkamer verschenen.

2.Inhoud van het verzoek

Het verzoek - zoals gewijzigd in raadkamer in hoger beroep - strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 1.379,40;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 550,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de procedure in hoger beroep ten bedrage van € 280,00.

3.Beoordeling

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
De rechtbank heeft de verzoeken onder a en b afgewezen en daartoe gemotiveerd dat weliswaar de strafzaak tegen appellant is geseponeerd, maar dat appellant een verkeersongeval heeft veroorzaakt terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde en dat onder die omstandigheden geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toewijzing van het verzoek.
Ten aanzien van het onder a verzochte
Het hof stelt ten aanzien van het billijkheidsoordeel als bedoeld in artikel 534 Wetboek Pro van Strafvordering (verder: Sv) het volgende voorop, met inachtneming van HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1526 (voor zover voor de onderhavige procedure relevant), HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566 en Hof Amsterdam 24 november 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4880. De artikelen 530 en 533 Sv voorzien kort samengevat in vergoeding van de kosten van rechtsbijstand en van de schade als gevolg van uitgezeten voorarrest indien een zaak eindigt zonder oplegging van straf, zoals in het geval van een vrijspraak of wanneer een strafzaak is geseponeerd of een beklag ex artikel 12 Sv Pro ongegrond is verklaard. Toekenning van een vergoeding heeft ingevolge artikel 534 Sv Pro steeds plaats indien en voor zover daartoe, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Dat betekent enerzijds dat in geval van schade of gemaakte kosten als uitgangspunt vergoeding plaatsvindt, maar anderzijds dat het de rechter vrij staat op gronden van billijkheid vergoeding achterwege te laten of slechts gedeeltelijk toe te kennen. Omstandigheden die aanleiding kunnen geven een vergoeding niet of slechts deels toe te kennen, zijn intussen niet op voorhand te bepalen. Bestendige rechtspraak wijst in dat verband uit dat in de aard of het verloop alsmede in de uitkomst van een strafzaak grond kan worden gezien te oordelen dat het niet billijk is een (gehele) vergoeding toe te kennen. Zo kan de schadevergoedingsrechter (hierna: de raadkamer) rekening houden met de mate waarin de verzoeker zijn voorarrest - hetzelfde geldt voor de noodzakelijke kosten van rechtsbijstand - aan zijn eigen (proces)houding of gedrag te wijten heeft. Daarbij valt bij wijze van voorbeeld te denken aan de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de verzoeker in zijn zaak heeft verklaard of juist gebruik heeft gemaakt van het zwijgrecht, of aan het geval waarin de verzoeker de opsporing bewust heeft bemoeilijkt. Ook kan de raadkamer rekening houden met de aard en de motivering van de beslissing waarmee de strafzaak is geëindigd, als daarin redenen zijn gelegen een (volledige) vergoeding niet billijk te achten.
Deze oordeelsvrijheid wordt slechts begrensd door de onschuldpresumptie zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het EVRM. Die verlangt dat de gronden voor een vrijspraak niet in twijfel worden getrokken en dat de raadkamer zich onthoudt van een zelfstandig oordeel dat zich niet met de vrijspraak verhoudt. Dit betekent dat de raadkamer in de motivering van haar oordeel niet zelfstandig suggesties tot uitdrukking mag brengen dat de verzoeker wel degelijk schuldig is. Het staat de raadkamer wel vrij in de beslissing mede (onderdelen van) de motivering van de vrijspraak te betrekken, zolang die beslissing daarmee niet alsnog een vaststelling van schuld behelst. Indien een zaak niet is geëindigd in een vrijspraak, maar bijvoorbeeld met een sepot of door een beslissing als bedoeld in artikel 348 Sv Pro, is het tot uitdrukking brengen van vermoedens van schuld in beginsel niet strijdig met de onschuldpresumptie en staat het de raadkamer tevens vrij te verwijzen naar een motivering van de beslissing in de strafzaak, telkens zolang het oordeel van de raadkamer niet alsnog in essentie een vaststelling van schuld behelst. Het hof merkt in dit verband op dat niet als maatstaf kan dienen of een vervolging ‘(hoogst)waarschijnlijk of onmiskenbaar tot een veroordeling zou hebben geleid’ en evenmin de maatstaf dat op een vervolging ‘niet onmiskenbaar een vrijspraak zou zijn gevolgd’. Dergelijke motiveringen komen immers neer op een inhoudelijk en integraal oordeel over de strafzaak, waarvoor in de verzoekschriftprocedure geen plaats is.
Het komt bij het billijkheidsoordeel aldus in overwegende mate aan op een waardering van de omstandigheden van het specifieke geval. Het is aan de raadkamer om het oordeel daaromtrent inzichtelijk te motiveren.
Het hof acht de door de rechtbank gegeven motivering toereikend voor afwijzing van het verzoek, mede in ogenschouw genomen dat appellant zelf heeft verklaard alcohol te hebben gedronken. Dat appellant, aldus zijn advocaat, niet uit eigen beweging wilde rijden, maar daartoe door een portier zou zijn ‘gedwongen’ maakt dit niet anders nu deze stelling, ook als zij waar is, geen schuld- of strafuitsluitingsgrond oplevert. Het hof zal het beroep in zoverre ongegrond verklaren.
Ten aanzien van het onder b en c verzochte
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de verzoekschriftprocedure in twee instanties ten bedrage van € 830,00.

4.Beslissing

Het hof:
Verklaart het hoger beroep ongegrond ten aanzien van het onder a verzochte.
Vernietigt de beschikking ten aanzien van de beslissing op het onder b verzochte en doet in zoverre opnieuw recht.
Wijst het verzochte toe.
Kent op de voet van artikel 530 Sv Pro aan appellant een vergoeding toe van € 830,00 (achthonderddertig euro).
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R.D. van Heffen, J.W.P. van Heusden en V.M.A. Sinnige, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is bij ontstentenis van de griffier alleen ondertekend door de voorzitter en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 8 juni 2021.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 830,00 (achthonderddertig euro) op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [tnv] o.v.v. [ovv].
Amsterdam, 8 juni 2021,
mr. R.D. van Heffen, voorzitter