ECLI:NL:GHAMS:2020:755

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 maart 2020
Publicatiedatum
11 maart 2020
Zaaknummer
200.257.566/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 222 RvArt. 224 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bankgarantie als zekerheidstelling voor proceskosten in hoger beroep en voeging van zaken

In deze civiele procedure in hoger beroep heeft het Gerechtshof Amsterdam het geschil behandeld over de vraag of de door appellant gestelde bankgarantie voldoet als zekerheidstelling voor proceskosten. Het hof had bij een eerder tussenarrest appellant bevolen zekerheid te stellen ter hoogte van € 3.963,- middels een onherroepelijke bankgarantie van een eerste klas Nederlandse bank ten behoeve van geïntimeerde.

Appellant heeft tijdig een originele bankgarantie van ABN AMRO Bank N.V. overgelegd met een maximum van € 24.094,-. Geïntimeerde stelde dat deze bankgarantie niet aan de gebruikelijke eisen voldoet vanwege diverse inhoudelijke en procedurele bezwaren, waaronder de reikwijdte ten aanzien van cassatiekosten, de wijze van opeisbaarheid en de looptijd.

Het hof overwoog dat de bankgarantie voldoende zekerheid biedt voor de proceskosten in hoger beroep, waarbij het niet vereist is zekerheid te stellen voor cassatiekosten. De bankgarantie is onherroepelijk en voldoet aan de gebruikelijke voorwaarden, ook al kent zij een jaarlijkse verlenging en sluit zij rechtsopvolgers uit. De vordering tot niet-ontvankelijkverklaring van appellant wordt daarom afgewezen.

Voorts beveelt het hof voeging van deze zaak met een andere aanhangige procedure en verwijst het de hoofdzaak naar de rol voor het indienen van een memorie van grieven. Beslissingen over proceskosten worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.

Uitkomst: De bankgarantie voldoet als zekerheidstelling, de vordering tot niet-ontvankelijkverklaring wordt afgewezen en de zaak wordt gevoegd met een andere procedure.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.257.566/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/644370 / HA ZA 18-219
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 maart 2020
inzake
[appellant],
wonend te [woonplaats] ( [land] ),
appellant in de hoofdzaak,
eiser in het incident ex artikel 222 Rv Pro,
verweerder in het incident ex artikel 224 Rv Pro,
advocaat: mr. N.H.A. Kampschreur te Eindhoven,
tegen
[X] TRANSPORT B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident ex artikel 222 Rv Pro,
eiseres in het incident ex artikel 224 Rv Pro,
advocaat: mr. T.C. Wiersma te Amsterdam.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna wederom [appellant] en [X] genoemd.
Het hof heeft op 27 augustus 2019 een tussenarrest (verder: het tussenarrest) gewezen. Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot die datum wordt naar dat arrest verwezen.
Bij genoemd tussenarrest heeft het hof in het incident tot zekerheidstelling ex artikel 224 Rv Pro [appellant] bevolen - op straffe van niet-ontvankelijkverklaring in de hoofdzaak - uiterlijk op 24 september 2019 zekerheid te stellen voor een bedrag van € 3.963,- ter zake van de proceskosten waarin hij in hoger beroep veroordeeld zou kunnen worden, zulks in de vorm van een door een eerste klas Nederlandse bank af te geven onherroepelijke bankgarantie op gebruikelijke voorwaarden met [X] als begunstigde, onder verstrekking van de originele bankgarantie aan de advocaat van [X] .
In het incident tot voeging ex artikel 222 Rv Pro heeft het hof in genoemd tussenarrest bepaald dat indien de bedoelde zekerheid door [appellant] wordt gesteld, het hof aanleiding ziet om over te gaan tot voeging van de onderhavige zaak met de bij dit hof onder zaaknummer 200.251.752/01 aanhangige zaak.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- akte uitlating zekerheidstelling zijdens [X] , met producties, waarin zij heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in de hoofdzaak, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellant] in de kosten van deze procedure;
- antwoordakte zijdens [appellant] , met producties, waarin hij heeft geconcludeerd – naar het hof begrijpt – tot afwijzing van de vordering van [X] tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in de hoofdzaak.
Vervolgens is wederom in beide incidenten arrest gevraagd.

2.Verdere beoordeling

in het incident tot zekerheidstelling
2.1
Bij het tussenarrest heeft het hof bepaald dat [appellant] in de hoofdzaak niet-ontvankelijk zal worden verklaard, indien hij niet tijdig, te weten uiterlijk op 24 september 2019, de bevolen zekerheid zal hebben gesteld.
2.2
Tussen partijen is niet in geschil dat de advocaat van [appellant] bij brief van 10 september 2019 een originele bankgarantie van ABN AMRO Bank N.V. van 28 juni 2019 met een maximum van € 24.094,- aan de advocaat van [X] heeft toegezonden.
2.3
[X] is van mening dat de bankgarantie niet aan de gebruikelijke eisen voldoet, omdat, kort samengevat, i) de bankgarantie niet ziet op de proceskosten van een eventuele cassatieprocedure, ii) de bankgarantie pas in te winnen is als de uitspraak van het hof onherroepelijk is (en niet ook direct in het geval dat de uitspraak van het hof uitvoerbaar bij voorraad is verklaard), iii) [X] niet het recht heeft om betaling onder de bankgarantie te verlangen indien en nadat cassatieberoep is aangetekend tegen een veroordeling van [appellant] in de proceskosten en de Hoge Raad dat oordeel in stand zou laten, iv) de bankgarantie voor 19 april 2020 dient te worden verlengd, hetgeen betekent dat deze niet onbeperkt geldig is, v) er misverstanden kunnen bestaan over de looptijd van de bankgarantie en vi) de garantie niet kan worden ingeroepen door mogelijke rechtsopvolgers van [X] .
2.4
[appellant] heeft gemotiveerd betwist dat de bankgarantie inhoudelijk niet voldoet.
2.5
Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] met de gestelde bankgarantie genoegzaam zekerheid gesteld in de vorm van een door een eerste klas Nederlandse bank afgegeven onherroepelijke bankgarantie op gebruikelijke voorwaarden met [X] als begunstigde, onder verstrekking van de originele bankgarantie aan de advocaat van [X] . De bij het tussenarrest bevolen zekerheidstelling ziet op de proceskosten in hoger beroep en niet op de eventuele proceskosten van een cassatieprocedure. Voorts is gebruikelijk dat de bankgarantie pas kan worden ingeroepen wanneer het arrest waarbij de eiser (in dit geval: [appellant] ) in de proceskosten is veroordeeld in kracht van gewijsde is gegaan. Dit is ook het geval, indien de Hoge Raad ingeval van beroep in cassatie het arrest van het hof (in ieder geval) ten aanzien de proceskostenveroordeling in stand laat. Dat de bankgarantie jaarlijks dient te worden verlengd, betekent niet dat zij niet onherroepelijk is. Bovendien behoeft een bankgarantie niet onbeperkt geldig te zijn. Ook is in beginsel niet ongebruikelijk dat is opgenomen dat een eventuele rechtsopvolger geen rechten kan ontlenen aan de bankgarantie. Het lag op de weg van [X] om uit te leggen waarom dat in deze zaak anders zou zijn. Hetgeen [X] overigens nog heeft aangevoerd berust op een onjuiste uitleg van de tekst van de door [appellant] verstrekte bankgarantie. Een en ander betekent dat de vordering tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] zal worden afgewezen.
2.6
In het tussenarrest is reeds bepaald dat de beslissing over de proceskosten van het incident tot zekerheidstelling wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
in het incident tot voeging
2.7
Nu [appellant] de bevolen zekerheid heeft gesteld, zal de onderhavige zaak worden gevoegd met de bij dit hof onder zaaknummer 200.251.752/01 aanhangige zaak, zoals in het tussenarrest bepaald.
2.8
De beslissing over de proceskosten van het incident tot voeging wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
in de hoofdzaak
2.9
De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een memorie van grieven door [appellant] . Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3.Beslissing

Het hof:
in de incidenten:
voegt de onderhavige zaak met de zaak met zaaknummer 200.251.752/01;
houdt de beslissing over de proceskosten van het incident tot voeging aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
wijst het meer of anders gevorderde af;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 21 april 2020 voor het nemen van een memorie van grieven door [appellant] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, J.C.W. Rang en M.A. Wabeke en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2020.