Klaagster deed aangifte tegen een bedrijf en haar bestuurder wegens oplichting en valsheid in geschrift in internationaal handelsverkeer. Zij had tussen juli 2016 en februari 2017 goederen gekocht en betaald, waarvan een deel niet werd geleverd en niet werd terugbetaald. Een document dat een vergunning zou zijn van het Amerikaanse ministerie bleek vals.
Het hof onderzocht of strafrechterlijk gezien een veroordeling mogelijk was en of er voldoende belang was om strafvervolging in te stellen. Voor oplichting ontbrak het bewijs dat klaagster door een oplichtingsmiddel tot betaling was gebracht. De situatie leek eerder civielrechtelijke wanprestatie.
Voor valsheid in geschrift was strafrechtelijk onderzoek mogelijk, maar het hof oordeelde dat het belang onvoldoende was om de schaarse politie- en justitiecapaciteit in te zetten, mede door het ontbreken van financieel nadeel door het valse document en de grote impact van het internationale onderzoek. Het beklag werd daarom afgewezen.