De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het stelen van een spijkerbroek, twee t-shirts, een jas en een rugzak uit een winkel te Zaandam op 10 april 2019. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan diefstal, waarbij het overige tenlastegelegde niet bewezen werd verklaard.
De verdediging voerde aan dat de verdachte destijds verslaafd was aan heroïne en methadon, leed aan TBC, dakloos was en een zwaar leven leidde, en verzocht om geen straf of een geheel voorwaardelijke geldboete. Het hof oordeelde echter dat ondanks deze persoonlijke omstandigheden geen aanleiding bestond om af te zien van strafoplegging, mede vanwege de ernst van het feit, de maatschappelijke overlast van winkeldiefstal en het ontbreken van een positieve gedragslijn.
Het hof nam ook mee dat de verdachte kort voor dit feit al een andere winkeldiefstal had gepleegd en dat er nog openstaande zaken waren. Gezien deze feiten en omstandigheden werd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken passend geacht, met aftrek van voorarrest. De straf is gebaseerd op de artikelen 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.