De werknemer was sinds 1979 in dienst van ING en haar rechtsvoorgangsters en vervolgens van NN na overgang van onderneming. In 2017 sloten partijen een beëindigingsovereenkomst met finale kwijting, waarbij de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2018 eindigde en een vergoeding werd toegekend.
De werknemer vorderde in eerste aanleg schadevergoeding wegens tekortkoming in de nakoming van de arbeidsovereenkomst, onder meer tegen ING en NN, en stelde dat de verjaring niet van toepassing was. De kantonrechter wees de vorderingen af op grond van de finale kwijting en verjaring.
In hoger beroep betoogde de werknemer dat de finale kwijting niet van toepassing was en dat de verjaring niet was ingetreden. Het hof oordeelde dat de procedure correct was ingeleid, dat de verjaringstermijn van vijf jaar was verstreken ten aanzien van ING en dat de finale kwijting ook de vorderingen tegen NN uitsloot.
Een beroep op dwaling slaagde niet omdat de werknemer onvoldoende had onderbouwd dat relevante informatie was achtergehouden. Het hof bekrachtigde de bestreden beschikking en veroordeelde de werknemer in de kosten van het hoger beroep.