Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant 1] ,
[appellant 2],
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak stond de vordering van de bank tot betaling en regres centraal, waarbij appellanten zich beriepen op een toezegging van de bank dat een eventuele boekwinst bij verkoop van het bedrijfspand door Bodemgoed in mindering zou worden gebracht op hun schuld. Na een eerdere tussenarrest van 5 februari 2019 diende het hof de verdere beoordeling van deze stellingen.
Appellanten betwistten onder meer de omvang van de boekwinst en de wijze van verrekening, maar maakten geen gebruik van de gelegenheid om te reageren op de door de bank overgelegde stukken. Het hof oordeelde dat de bank de boekwinst van € 62.323,53 conform het beleid van Bodemgoed correct had afgeboekt op de restantschuld van de beheers- en werkmaatschappij, en niet op de schuld van appellanten als borgstellers en hoofdelijke medeschuldenaars.
Het hof verwierp de grieven van appellanten en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank voor zover de vordering van de bank was toegewezen. Tevens vernietigde het hof het vonnis voor zover de regresvordering van de bank was afgewezen en wees deze alsnog toe met rente. Appellanten werden veroordeeld in de proceskosten van zowel het principaal als incidenteel appel. Het arrest werd uitgesproken door drie raadsheren op 27 oktober 2020.
Uitkomst: Het hof wijst de regresvordering van de bank toe en bekrachtigt het vonnis voor het overige.