Uitspraak
1.[geïntimeerde sub 1] ,
[geïntimeerde sub 2],
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak in hoger beroep tussen een buitenlandse appellant en geïntimeerden is een incident behandeld over de verplichting tot zekerheidstelling voor proceskosten ex artikel 224 Rv Pro. De appellant, woonachtig in Qatar, is gehouden zekerheid te stellen voor de proceskosten waarvoor hij in hoger beroep veroordeeld zou kunnen worden, tenzij een uitzondering van toepassing is, wat niet het geval bleek.
De geïntimeerden vorderden zekerheid voor een bedrag van € 12.313,-, inclusief kosten van de eerste aanleg. Het hof oordeelde dat zekerheidstelling voor kosten van de eerste aanleg niet kan worden gevorderd van de appellant, omdat hij in eerste aanleg niet in de kosten is veroordeeld en artikel 353 lid 2 Rv Pro bepaalt dat alleen de appellant in het principale appel tot zekerheidstelling gehouden is.
Het hof gelastte zekerheid te stellen voor € 8.278,-, zijnde de kosten van het hoger beroep. Gezien het ontbreken van Nederlandse bankrelaties bij appellant werd bepaald dat de zekerheid via storting op de derdengeldrekening van de advocaat van geïntimeerden moet plaatsvinden, met een termijn van vier weken. De zekerheid mag niet worden gekoppeld aan het kracht van gewijsde gaan van het arrest in de hoofdzaak. De beslissing over proceskosten van het incident wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
Uitkomst: Appellant moet binnen vier weken zekerheid stellen voor proceskosten van het hoger beroep via storting op derdengeldrekening, op straffe van niet-ontvankelijkheid.