ECLI:NL:GHAMS:2020:1696
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter inzake kinderalimentatie en gebruik echtelijke woning in echtscheidingsprocedure
Partijen zijn gehuwd in Israël en hebben vier minderjarige kinderen. Na hun verhuizing naar Nederland en later vertrek van de vrouw met de kinderen naar Israël, ontstond een geschil over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, omgangsregeling, gebruik van de woning en kinderalimentatie. De man startte een kort geding met diverse vorderingen, waaronder terugleiding van de kinderen, uitsluitend gebruik van de woning en kinderalimentatie.
De voorzieningenrechter verklaarde zich onbevoegd voor enkele vorderingen en wees kinderalimentatie toe. De vrouw ging in hoger beroep en voerde onder meer aan dat de rechtbank niet bevoegd was en dat de man niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de juiste procedure niet was gevolgd. Het hof oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd is voor voorlopige maatregelen inzake kinderalimentatie, maar dat voor voorzieningen als het uitsluitend gebruik van de woning en kinderalimentatie de procedure volgens artikelen 821-826 Rv gevolgd moet worden.
Het hof vernietigde het vonnis voor zover het uitsluitend gebruik van de woning aan de man werd toegekend en de man werd veroordeeld tot kinderalimentatie, en verklaarde de man niet-ontvankelijk in deze vorderingen. Het hof bekrachtigde het vonnis voor het overige, compenseerde de kosten in hoger beroep en veroordeelde de vrouw in de kosten van het incident.
Uitkomst: De man wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen tot uitsluitend gebruik van de woning en kinderalimentatie; het vonnis wordt voor dat gedeelte vernietigd en voor het overige bekrachtigd.