In deze civiele procedure stond centraal of een vordering van Bowie Recycling B.V. op de bank, voortvloeiend uit een creditsaldo, stil verpand was aan de holding [appellante]. De rechtbank had geoordeeld dat de vordering niet rechtsgeldig was verpand omdat de pandakte niet voldeed aan het bepaaldheidsvereiste. Het hof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de pandakte onvoldoende gegevens bevatte om vast te stellen dat de vordering op het creditsaldo was verpand.
De holding stelde dat partijen wel de bedoeling hadden de vordering te verpanden, maar het hof verwierp dit bewijsaanbod omdat de bedoeling niet uit de akte zelf kon worden afgeleid. De curator had een vordering op de bank tot betaling van het creditsaldo aan de boedel van Bowie, die door de rechtbank was toegewezen en door het hof werd bekrachtigd.
De bank werd veroordeeld tot betaling van het creditsaldo aan de curator, vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na het arrest. De kosten van het hoger beroep werden deels toegewezen en deels gecompenseerd tussen partijen. Het arrest werd gewezen door drie raadsheren en op 12 mei 2020 uitgesproken.