ECLI:NL:GHAMS:2020:1121
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep ontnemingsvordering niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding
In deze zaak stond het hoger beroep centraal tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam, waarbij het openbaar ministerie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel had ingesteld tegen de betrokkene. De betrokkene was eerder veroordeeld voor een overtreding van de Opiumwet.
De politierechter had de betrokkene verplicht tot betaling van een bedrag van €6.008,20 aan de Staat. Het openbaar ministerie stelde hoger beroep in tegen dit vonnis met een vordering tot ontneming van een bedrag van €20.027,34.
Het hof heeft ambtshalve onderzocht of het openbaar ministerie ontvankelijk was in deze vordering, waarbij het van belang was dat de ontnemingsvordering uiterlijk binnen twee jaar na de uitspraak in eerste aanleg aanhangig moet worden gemaakt. Aangezien de hoofdzaak op 23 maart 2017 werd beslist en de ontnemingsvordering pas op 18 april 2019 werd ingediend, is deze termijn overschreden.
De Hoge Raad heeft bevestigd dat deze termijn een waarborgfunctie heeft voor de betrokkene en dat niet-naleving leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het hof heeft daarop het vonnis vernietigd en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering wegens overschrijding van de wettelijke termijn.