ECLI:NL:GHAMS:2019:754

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 januari 2019
Publicatiedatum
7 maart 2019
Zaaknummer
23-002434-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 422 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontnemingsvordering wegens valsheid in geschrifte bankbiljetten

In deze zaak stond de veroordeelde terecht voor het als echt en onvervalst uitgeven, zich verschaffen, in voorraad hebben of vervoeren van bankbiljetten waarvan de valsheid hem bekend was. De rechtbank Noord-Holland veroordeelde hem hiervoor en legde een ontnemingsvordering op van €25.564,91, later door het openbaar ministerie verhoogd tot €28.636,43.

De veroordeelde stelde hoger beroep in tegen zowel de strafvonnis als de ontnemingsvordering. Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep op 17 december 2018 en 18 januari 2019. Na zorgvuldige bestudering van de stukken en de pleidooien bevestigde het hof het vonnis van de rechtbank.

Het hof onderschreef de bewezenverklaring en de opgelegde ontnemingsmaatregel, zonder dat de veroordeelde nieuwe verweren aanvoerde die tot een andere uitkomst konden leiden. Hiermee blijft de verplichting tot betaling van het ontnomen voordeel aan de Staat gehandhaafd.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarbij de rechters A.M. van Amsterdam, A.D.R.M. Boumans en S. Clement zitting hadden.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de veroordeling en de ontnemingsvordering van €28.636,43 aan de Staat.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002434-16 (ontneming)
datum uitspraak: 18 januari 2019
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van
de rechtbank Noord-Holland van 26 mei 2016 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-871261-15 tegen
de veroordeelde
[veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting
zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 25.564,91. De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering vermeerderd tot een bedrag van € 28.636,43.
De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 26 mei 2016 -kort gezegd- onder meer veroordeeld ter zake van het als echt en onvervalst uitgeven of te doen uitgeven, zich verschaffen, in voorraad hebben of vervoeren van bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij de bankbiljetten ontving bekend was, meermalen gepleegd.
Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 26 mei 2016 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 25.564,91 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 18 januari 2019 onder meer veroordeeld ter zake van -kort gezegd- het als echt en onvervalst uitgeven of te doen uitgeven, zich verschaffen, in voorraad hebben of vervoeren van bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij de bankbiljetten ontving bekend was, meermalen gepleegd.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
17 december 2018 en 18 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Amsterdam, mr. A.D.R.M. Boumans, en mr. S. Clement, in tegenwoordigheid
van mr. N.E.M. Keereweer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 januari 2019.