ECLI:NL:GHAMS:2019:619
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A.M. Kengen
- J.H.C. van Ginhoven
- M.J.A. Duker
- Rechtspraak.nl
Openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens schending vertrouwensbeginsel bij opgeven valse naam
De verdachte werd op 22 oktober 2017 door een opsporingsambtenaar gevraagd zijn identiteitsbewijs te tonen. Hij gaf aan dit niet bij zich te hebben en verstrekte een valse achternaam. Hierop ontving hij op 30 oktober 2017 een strafbeschikking met een boete van €90 voor het niet tonen van een identiteitsbewijs, welke hij betaalde.
Later werd de verdachte gedagvaard voor het opgeven van een valse naam op dezelfde datum. De verdachte betwistte deze vervolging, omdat hij reeds een boete had betaald voor hetzelfde incident. De advocaat-generaal stelde dat hoewel het niet exact hetzelfde feit betrof, het wel hetzelfde feitencomplex was en dat de vervolging in strijd was met het vertrouwensbeginsel.
Het hof volgde dit standpunt en oordeelde dat de verdachte na betaling van de strafbeschikking erop mocht vertrouwen niet opnieuw vervolgd te worden voor het opgeven van een valse naam. Daarom verklaarde het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging en vernietigde het het vonnis waarvan beroep.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens schending van het vertrouwensbeginsel.