Uitspraak
1.Geldigheid van de dagvaarding
2.Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Verloop tenlastelegging
- de stukken met betrekking tot het doen van een valse aangifte zijn (formeel) niet voorgehouden, nu de dagvaarding van 5 april 2016 ten tijde van de feitenbehandeling op 21 en 24 maart 2016 nog niet bestond. Het onderzoek ter terechtzitting lijdt met betrekking tot die feiten aan een nietigheid. Doordat de stukken niet kunnen worden geacht te zijn voorgehouden, waarmee de verdediging ook uitdrukkelijk niet mee heeft ingestemd, zou het gebruik voor het bewijs daarvan in strijd zijn met het beginsel van hoor en wederhoor;
- door het toelaten van de paralleldagvaarding is de verdachte in zijn belangen geschaad, nu het Openbaar Ministerie wordt toegestaan de verdenking buiten het wettelijk systeem om uit te breiden. Daarbij is het door de dagvaardingsperikelen voor de verdachte onduidelijk geweest wat de omvang van het geding was.
- Voorts heeft de raadsman – zakelijk weergegeven – nog gewezen op de volgende omstandigheden:
- met betrekking tot zaaksdossier Kastanje, waarvoor de verdachte apart is gedagvaard voor de terechtzitting van 5 april 2016, wenste het Openbaar Ministerie aanvankelijk dat er gepleit zou worden voordat er reeds een strafeis was geformuleerd en moest de verdediging telkens haar agenda naar die van het Openbaar Ministerie schikken;
- het Openbaar Ministerie heeft bewust de media opgezocht, waardoor onevenredige media-aandacht is ontstaan alsook eenzijdige berichtgeving is gecreëerd ten laste van de verdachte, doordat vanwege het opleggen van beperkingen geen hoor en wederhoor mogelijk was;
- de wijze waarop de verschillende strafzaken worden behandeld, met name dat er bij het voorhouden en in de bewijsvoering door het Openbaar Ministerie geen onderscheid lijkt te worden gemaakt wat er in welke zaak is gebeurd; alles wordt op één hoop gegooid. In het bijzonder wordt gewezen op de verklaringen die de verdachten in hun eigen zaak hebben afgelegd, de verklaringen van getuigen bij de rechter-commissaris die niet in alle zaken zijn gehoord en andere stukken die alleen in bepaalde zaken zijn gevoegd. Het is – zo begrijpt het hof – gissen voor de verdachte wanneer stukken betrekking hebben op zijn zaak.
the proceedings as a whole were not fair". Uit één en ander volgt dat de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in beeld kan komen. Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat een schending van het door artikel 8 EVRM Pro beschermde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet zonder meer een inbreuk oplevert op de artikel 6 EVRM Pro vervatte waarborg van een eerlijk proces.
Beroep op absoluut ondeugdelijk vervoermiddel en voorwaardelijk verzoek benoemen deskundige
Beroep op vrijwillige terugtred
Bewijsmiddelverweer met betrekking tot de verklaring van [Q]
Bewijsoverweging met betrekking tot feit 1 in de zaak A
- “Ja, hou er rekening… daarheen is het moeilijker volk te krijgen en je zit met gasolie. Het allermooiste is natuurlijk met een zeilboot hierheen”.
- “Vijfhonderd mijl… uit Spanje vandaan boven het… boven het Noordelijkste eiland daar moet je hem overpakken”.
"EEZ"geschreven. Gezien
"Grens200
mijl uit Barbados"en nog iets verder rechts daarvan staat
"Richting Azoren= 2150
mijl".Iets daarboven staat geschreven "13.43.500
N, 55.57.000
ja maar weinig risico, euhze
gaan gewoon zowat Trinidad binnen man, wat denk
van wanneer die vaart. (…)
het feestje begon vandaag ... Wij waren op de afgesproken plek, maar ze kwamen niet opdagen. Dus dat is weer48
uur uitgesteld dat feest”.
"Azoren-Nederland=
1500 mijl".Iets rechts
Bewijsmiddelverweer met betrekking tot de aangetroffen vinger- en handpalmafdruk van de
Bewijsmiddelverweer met betrekking tot de verklaring van de getuige [B 3] en voorwaardelijk
€ 38.000,00.
.Op 22 november 2013 om 17:36 uur stuurt [medeverdachte 6] een bericht naar de gebruiker van de BlackBerry met nummer #7940 inhoudende” mogelijk zit die auto nu in onderzoek” en drie minuten later: “ die auto is gestolen moeten we zeggen !!!”. Er wordt afgesproken elkaar en [J 1] te ontmoeten in [plaats delict] en de telefoons moeten thuisgelaten worden. Tot twee maal toe stuurt [medeverdachte 6] het bericht: “de auto is meegenomen in ander onderzoek”. Om 19:59 uur bericht [medeverdachte 6] aan telefoonnummer #7940: “ Er moet inbraak bij jou gebeuren en aangifte moet”. Er wordt geantwoord “ok, ga ik hem (het hof begrijpt [J 1] ) halen”, waarna [medeverdachte 6] pingt: “niks tegen hem zeggen alleen gestolen” en om 22:17 uur pingt [medeverdachte 6] weer aan voornoemd telefoonnummer: “niks zeggen tegen niemand eerst kijken wat er gebeurt”. De volgende ochtend stuurt [medeverdachte 6] een bericht aan nummer #7940 met de vraag of hij heeft gebeld, waarop bevestigend wordt geantwoord. [medeverdachte 6] pingt dan: “het kan zijn dat ze die auto mee genomen hebben voor ruimte te maken en dat we een fout hebben gemaakt door te bellen…bel af en toe met ton (het hof begrijpt: [J 1] ) ze pa en praat over dat ie gestolen is” en “door dat we gebeld hebben gaan ze m miss open maken voor sporen. Kut zooi wat een ongeluk”.
Beroep op handelen in strijd met verbod op willekeur
Voorwaardelijke verzoeken
Voorwaardelijk verzoek nader onderzoek in administratie VOF
Bewijsoverweging ten aanzien van de zaak C
gevangenisstrafvoor de duur van
40 (veertig) maanden.
onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: