ECLI:NL:GHAMS:2019:3037
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging niet-ontvankelijkheid verzoek wettelijke schuldsaneringsregeling wegens ontbreken minnelijk traject
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, waarbij hij niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het hof behandelde het hoger beroep op 19 maart 2019, waarbij appellant niet aanwezig was wegens gezondheidsredenen. Zijn advocaat heeft het beroepschrift toegelicht.
Appellant voerde aan dat hij vanwege ernstige fibromyalgie en persoonlijke omstandigheden niet in staat was het minnelijk traject te doorlopen voordat hij het verzoek indiende. Inmiddels was het minnelijk traject onder begeleiding van stichting MEE gestart en zou binnenkort een akkoord aan schuldeisers worden aangeboden. Hij verzocht het hoger beroep aan te houden om het traject te kunnen doorlopen.
Het hof oordeelde dat ingevolge artikel 285 lid 1 sub f Faillissementswet Pro een met redenen omklede verklaring moet worden overgelegd waaruit blijkt dat geen reële mogelijkheid bestaat tot buitengerechtelijke schuldregeling en dat het minnelijk traject moet zijn doorlopen. Dit ontbrak in casu. De medische en persoonlijke omstandigheden van appellant doen hieraan niet af. Het verzoek tot aanhouding werd afgewezen omdat dit niet tot doel heeft alsnog het minnelijk traject te doorlopen.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.