Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
[geïntimeerde],
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een geschil tussen een werknemer en zijn werkgever over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de betaling van loon vanaf 1 juni 2017. De werknemer trad in 2006 in dienst en werd vanaf november 2016 gedetacheerd bij een uitzendbureau vanwege werkgebrek. De werkgever stelde dat de werknemer zijn dienstverband had opgezegd, terwijl de werknemer dit ontkende en stelde dat de arbeidsovereenkomst voortduurde.
De kantonrechter oordeelde dat geen rechtsgeldige beëindiging had plaatsgevonden en dat de werknemer recht had op loonbetaling. De werkgever ging in hoger beroep en voerde onder meer aan dat sprake was van opzegging door de werknemer of door de werkgever, dan wel beëindiging met wederzijds goedvinden. Het hof verwierp deze grieven, omdat geen duidelijke en ondubbelzinnige opzegging of geldige beëindigingsovereenkomst was gesloten.
Het hof benadrukte dat de werknemer de brief van de werkgever niet voor akkoord had getekend, dat hij werkzaamheden bleef verrichten en dat de werkgever hem niet had gewezen op de gevolgen van een opzegging. De arbeidsovereenkomst bleef dus voortduren en de werkgever werd veroordeeld tot betaling van het loon vanaf juni 2017, met vakantietoeslag en wettelijke verhoging, onder aftrek van een reeds betaalde vergoeding.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde de werkgever tevens in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst is niet rechtsgeldig beëindigd en de werkgever moet loon betalen vanaf 1 juni 2017.