ECLI:NL:GHAMS:2019:2800
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM wegens voortijdige vervolging vreemdeling zonder opportuun belang
Deze zaak betreft het hoger beroep van verdachte tegen een vonnis van de politierechter in Amsterdam waarbij hij werd vrijgesproken van een tenlastelegging. Het hof verklaart verdachte niet-ontvankelijk voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak, omdat hoger beroep tegen vrijspraak niet is toegestaan volgens artikel 404, vijfde lid, Sv.
Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en oordeelt anders over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. De tenlastelegging betreft het illegaal verblijf van verdachte als vreemdeling terwijl hij ongewenst was verklaard of een inreisverbod had.
Het hof baseert zich op eerdere prejudiciële vragen van de Hoge Raad aan het Hof van Justitie EU over de toepasselijkheid van artikel 197 Sr Pro in combinatie met de Terugkeerrichtlijn. Gezien het ontbreken van een afzienbare termijn voor beantwoording en het geringe belang van vervolging van het relatief lichte misdrijf, verklaart het hof het OM niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een strafrechtelijk belang.
Daarmee wordt de vervolging van verdachte beëindigd. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 2 juli 2019.
Uitkomst: Het hof verklaart verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen vrijspraak en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in vervolging wegens ontbreken strafrechtelijk belang.