Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
Feiten
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende heeft in hoger beroep betwist dat hij slechts een deel van de door hem aan zijn ex-echtgenote betaalde alimentatie mag aftrekken van zijn belastbaar inkomen in de jaren 2011 tot en met 2015. De rechtbank had geoordeeld dat slechts 25% van de betalingen als aftrekbare onderhoudsverplichting kon worden aangemerkt, omdat de betalingen mede bestemd waren voor de kinderen en niet volledig voor de ex-echtgenote.
Het hof bevestigt dit oordeel en overweegt dat het huwelijkscontract met een overeengekomen betaling van 1,5 miljoen Libanese Pond niet relevant is voor de aftrek in de betreffende jaren, omdat deze betaling niet heeft plaatsgevonden en bedoeld was voor de echtscheidingsfase. De verklaring van de ex-echtgenote aan de Sunnite Sharia Courts ondersteunt dat de maandelijkse betalingen bestemd waren voor haar en de kinderen samen.
Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat een hoger bedrag aan aftrek gerechtvaardigd is. Zijn verzoek om aanvullend bewijs te leveren wordt afgewezen wegens strijd met de goede procesorde. Het hof verklaart de hoger beroepen ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat slechts 25% van de betaalde partneralimentatie aftrekbaar is en verklaart het hoger beroep ongegrond.