ECLI:NL:GHAMS:2019:1685
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing aanvullende proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft geprocedeerd over navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting en verzocht om een aanvullende proceskostenvergoeding van € 6.009,50. De inspecteur wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar daarop niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaarde vervolgens het beroep van belanghebbende eveneens niet-ontvankelijk.
In hoger beroep stond centraal of de rechtbank dit beroep terecht niet-ontvankelijk had verklaard. Het Hof oordeelde dat de brief van de inspecteur geen uitspraak op bezwaar is en daarom niet vatbaar voor beroep volgens artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Dit volgt uit de wettelijke systematiek en eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad.
Het Hof overwoog dat belanghebbende geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die tot een ander oordeel konden leiden. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werden geen kosten aan de zijde van partijen toegewezen.
De uitspraak is gedaan door de belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam en kan binnen zes weken worden aangevochten bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om aanvullende proceskostenvergoeding is niet-ontvankelijk verklaard.