Uitspraak
000109-19
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een vordering van de advocaat-generaal tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd bij arrest van 10 juni 2016, met een proeftijd die later werd verlengd. De veroordeelde heeft gedurende ruim twee jaar gerecidiveerd met relatief minder ernstige, niet-gewelddadige feiten zoals winkeldiefstal en heeft zich niet volledig aan de bijzondere voorwaarden gehouden.
Tijdens de zittingen in hoger beroep op 12 februari en 18 maart 2019 heeft het hof kennisgenomen van de standpunten van de advocaat-generaal, de raadsvrouw en deskundigen van Reclassering Nederland en de Raad voor de Kinderbescherming. Het hof deelt het standpunt dat de overtredingen ernstig zijn, maar oordeelt dat tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel gezien de zwaarte van de sanctie niet opportuun is.
Het hof wijst daarom de vordering af en wijzigt de bijzondere voorwaarden. Deze wijzigingen houden onder meer in dat de veroordeelde zich moet melden bij de reclassering, meewerkt aan een begeleid wonen traject, zijn financiën regelt en passende dagbesteding vindt. De beslissing beoogt de veroordeelde een laatste kans te bieden om zich aan de voorwaarden te houden en verdere recidive te voorkomen.
Uitkomst: De vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke PIJ-maatregel wordt afgewezen en de bijzondere voorwaarden worden gewijzigd.