ECLI:NL:GHAMS:2018:5011

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 december 2018
Publicatiedatum
26 februari 2019
Zaaknummer
23-003691-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 404 SvArt. 422 SvArtikel 3a Opiumwet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs betrokkenheid bij wietplantage

De verdachte werd in eerste aanleg door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van het ten laste gelegde telen en aanwezig hebben van hennep in een pand te Diemen. Tegen deze vrijspraak stelde de verdachte zelf hoger beroep in, mede gericht tegen de vrijspraak. Het hof verklaarde het hoger beroep echter niet-ontvankelijk voor zover het gericht was tegen de vrijspraak.

In hoger beroep onderzocht het hof de tenlastelegging dat de verdachte op of omstreeks 16 mei 2014 in een pand te Diemen opzettelijk hennep had geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt of aanwezig had gehad. De enige aanwijzing voor betrokkenheid was een verklaring van een getuige, die door de verdachte krachtig werd weersproken. Er was geen bewijs dat de verdachte regelmatig in de woning was of samenwerkte met anderen bij het aanwezig hebben van de hennep.

Het hof oordeelde dat de betrokkenheid van de verdachte niet met de vereiste mate van zekerheid kon worden vastgesteld. Daarom werd het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover het oordeel van het hof onderworpen was en werd de verdachte vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard voor het onder 2 ten laste gelegde.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van betrokkenheid bij de wietplantage.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003691-17
datum uitspraak: 20 december 2018
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 oktober 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-706270-16 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
adres: [adres 1].

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam op 10 oktober 2017 vrijgesproken van hetgeen aan haar onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak.
Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 december 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover in hoger beroep nog aan de orde - ten laste gelegd dat:
1:
zij op of omstreeks 16 mei 2014 te Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 7450 gram hennep en/of ongeveer 96, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof kan niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte betrokken was bij de wietplantage. De verklaring van [naam] is het enige bewijsmiddel waaruit de betrokkenheid van de verdachte blijkt, maar die verklaring wordt stellig door de verdachte weersproken terwijl overigens niet is vast komen te staan dat de verdachte vaker dan eens in de week of twee weken in de woning was noch dat zij op enigerlei wijze met een ander heeft samengewerkt bij het aanwezig hebben van de hennep. Hetgeen onder 1 aan de verdachte is ten laste gelegd kan derhalve niet wettig en overtuigend bewezen worden, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. A.M. van Amsterdam en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van A. Ivanov, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 december 2018.