ECLI:NL:GHAMS:2018:4990
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake onredelijk late ingebrekestelling en dwangsom bij naheffingsaanslag omzetbelasting
Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanmaningskosten die de ontvanger van de Belastingdienst in rekening had gebracht bij een naheffingsaanslag omzetbelasting voor het eerste kwartaal van 2015. Na het indienen van het bezwaar stelde belanghebbende de ontvanger bij brief van 7 december 2015 in gebreke en kondigde een dwangsom aan indien niet binnen veertien dagen werd beslist. De ontvanger wees het verzoek om dwangsom af en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en oordeelde dat de ingebrekestelling onredelijk laat was, omdat deze pas elf weken na het verstrijken van de beslistermijn werd gedaan. Het Hof bevestigde dit oordeel en overwoog dat uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie volgt dat een ingebrekestelling binnen enkele weken na het verstrijken van de beslistermijn moet plaatsvinden, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. In deze zaak was geen contact geweest tussen partijen in de tussenliggende periode en was belanghebbende professioneel vertegenwoordigd.
Het Hof concludeerde dat de ontvanger geen dwangsom verschuldigd was en dat belanghebbende geen recht had op vergoeding van de kosten van bezwaar, omdat de aanmaningskosten terecht waren opgelegd gezien het tijdstip van het verzoek om uitstel van betaling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; belanghebbende heeft geen recht op dwangsom of kostenvergoeding.