ECLI:NL:GHAMS:2018:4923
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Heffingsrente bij naheffingsaanslagen omzetbelasting niet strijdig met EU-btw-stelsel en evenredigheidsbeginsel
Het geschil betreft de vraag of de heffingsrente en belastingrente die de inspecteur in rekening heeft gebracht bij naheffingsaanslagen omzetbelasting terecht zijn opgelegd aan belanghebbende, een B.V. die managementdiensten leverde aan een andere B.V. De rechtbank had de naheffingsaanslagen omzetbelasting terecht geoordeeld, maar de rente en boetes vernietigd en verminderd.
In hoger beroep is niet langer betwist dat de naheffingsaanslagen terecht zijn, maar staat alleen het rechtmatigheid van de rente in geschil. Belanghebbende stelt dat de rente een verkapte vorm van omzetbelasting is, strijdig met het EU-btw-stelsel en het evenredigheidsbeginsel, en dat er geen grond is voor rente aangezien er geen schade is.
Het Hof wijst deze stellingen af. Het stelt dat heffingsrente geen omzetbelasting is, maar een compensatie voor niet genoten rente. De rente wordt berekend over de nageheven belasting en is geen boete. Ook is de rente niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel of het doeltreffendheidsbeginsel. De stelling dat de Rijkskas geen schade heeft geleden omdat de afnemer de belasting kon aftrekken, faalt juridisch.
Het Hof bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de heffings- en belastingrente terecht zijn opgelegd en wijst het hoger beroep van belanghebbende af.