ECLI:NL:GHAMS:2018:470
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof wijst gedeeltelijk vordering erfgenaam toe inzake uitvaartkosten nalatenschap
In deze civiele zaak in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam stond de vordering van appellant, een erfgenaam, tegen geïntimeerde, echtgenote van de andere erfgenaam, centraal. Het geschil betrof de betaling van uitvaartkosten van de nalatenschap van de erflaatster. Na een tussenarrest van 11 april 2017 heeft geïntimeerde stukken overgelegd met betrekking tot de uitvaartkosten.
Uit de overgelegde stukken bleek dat een bedrag van € 2.676,55 aan uitvaartkosten niet gedekt was, maar er was geen bewijs dat dit bedrag door de echtgenoot van de andere erfgenaam was voldaan. Hierdoor bleef de vordering van de nalatenschap op geïntimeerde € 8.746,28. Het hof oordeelde dat appellant recht heeft op de helft van dit bedrag, zijnde € 4.373,14, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 16 december 2015.
Daarnaast werd de proceskostenveroordeling besproken. Het hof oordeelde dat de kantonrechter ten onrechte de vordering van appellant geheel had afgewezen en compenseerde de proceskosten in principaal en incidenteel appel, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het bestreden vonnis werd vernietigd voor zover het de afwijzing van de vordering betrof en bekrachtigd voor het overige.
Uitkomst: Geïntimeerde wordt veroordeeld tot betaling van € 4.373,14 plus wettelijke rente aan appellant, met compensatie van proceskosten.