De zaak betreft een geschil tussen appellant en geïntimeerde over de vraag of uit e-mailcorrespondentie een overeenkomst blijkt waarbij geïntimeerde zich verbindt tot een bijdrage van €5.000 aan de aankoop van activa uit een failliete vennootschap. Appellant vordert betaling van dit bedrag met rente. De kantonrechter wees de vordering af wegens onvoldoende bewijs.
In hoger beroep stelt appellant dat de e-mails van 24 en 25 september 2012 een bindende overeenkomst vormen, waarbij geïntimeerde akkoord ging met het voorstel inclusief haar bijdrage, welke appellant zou voorschieten tot het financieel weer mogelijk is. Geïntimeerde voert aan dat zij slechts haar arbeid en kennis zou inbrengen, niet het geld, en beroept zich op een nadere mondelinge afspraak en rechtsverwerking.
Het hof oordeelt dat appellant redelijkerwijs mocht vertrouwen op de e-mail van geïntimeerde als instemming met het volledige voorstel, inclusief de financiële bijdrage. De stellingen van geïntimeerde over een nadere afspraak worden toegelaten tot bewijslevering. Het hof wijst erop dat de clausule "tot het financieel weer wel kan" moet worden opgevat als een opschortende tijdsbepaling conform art. 7A:1798 BW, en geeft geïntimeerde gelegenheid om toe te lichten hoe en wanneer zij zal betalen.
Het hof beveelt getuigenverhoor ter bewijslevering van de nadere afspraak en houdt verdere beslissing aan. Partijen wordt geadviseerd een minnelijke regeling te beproeven.