Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland waarin hij werd veroordeeld voor het veroorzaken van een verkeersongeval onder invloed van alcohol. Het hof bevestigde het vonnis, behalve ten aanzien van het feit dat verdachte de plaats van het ongeval zou hebben verlaten, waarvoor hij werd vrijgesproken omdat niet kon worden uitgesloten dat de auto na het ongeval doorrolde.
De verdachte had op 16 mei 2014 met een bijna driemaal de toegestane hoeveelheid alcohol in het bloed een auto bestuurd en een aanrijding veroorzaakt waarbij het slachtoffer ernstig letsel opliep en haar werkzaamheden moest staken. Verdachte was eerder herhaaldelijk veroordeeld voor rijden onder invloed en had sinds 2009 geen geldig rijbewijs meer. Zijn houding tijdens de procedure toonde geen inzicht in de ernst van zijn handelen.
Het hof legde een gevangenisstraf van vijf maanden en een rijontzegging van drie jaar op, rekening houdend met de ernst van het feit, de voorgeschiedenis en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat zij een vaststellingsovereenkomst met de verzekeraar had gesloten.
De strafrechtelijke artikelen van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994 werden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 11 juli 2018.