ECLI:NL:GHAMS:2018:3817
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Partnerbegrip bij toepassing alleenstaande-ouderkorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting in inkomstenbelasting
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2014, omdat zij aanspraak wilde maken op de alleenstaande-ouderkorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. De inspecteur wees dit af op grond van het partnerbegrip in artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en artikel 1.2 van de Wet IB 2001, waarbij de ex-echtgenoot als partner werd aangemerkt omdat hij het hele jaar op hetzelfde adres in de Basisregistratie Personen (BRP) stond ingeschreven.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en het hof bevestigde dit oordeel in hoger beroep. Het hof oordeelde dat de objectieve criteria van de wet doorslaggevend zijn, ook al was de ex-echtgenoot feitelijk al in maart 2014 vertrokken en was belanghebbende feitelijk alleenstaande ouder. De inschrijving in de BRP bepaalt het partnerbegrip voor de toepassing van de belastingkortingen.
Het hof wees erop dat het niet bevoegd is om de billijkheid of innerlijke waarde van de wet te beoordelen en dat de minister van Financiën bevoegd is om in onbillijke gevallen tegemoet te komen, niet het hof. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de ex-echtgenoot als partner geldt zolang hij in de BRP op hetzelfde adres staat ingeschreven, waardoor belanghebbende geen recht heeft op de kortingen.