ECLI:NL:GHAMS:2018:3513
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen aanslagen inkomstenbelasting en verzuimboetes afgewezen
Belanghebbende stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat de inspecteur algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Europese verdragsvrijheden en artikel 8 EVRM Pro had geschonden. Het hof oordeelt dat deze argumenten geen nieuw of ander licht werpen op de zaak en dat er geen relevante gelijkenis bestaat met de aangevoerde stukken.
De zaak betreft aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2009, 2010, 2011 en 2012, waarbij voor de jaren 2010-2012 ambtshalve aanslagen en verzuimboetes zijn opgelegd wegens het niet indienen van aangifte. De rechtbank had deze beroepen ongegrond verklaard, omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de aanslagen onjuist waren vastgesteld en de boetes terecht waren opgelegd.
Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over, benadrukt dat de inspecteur een redelijke schatting heeft gemaakt op basis van beschikbare gegevens en dat belanghebbende onvoldoende bewijs heeft geleverd van gemaakte beroepskosten of persoonsgebonden aftrek. Tevens is vastgesteld dat geen sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas) waardoor boetes achterwege zouden moeten blijven.
Het verzoek van belanghebbende om de behandeling van het jaar 2009 met voorrang te behandelen is afgewezen. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart de hoger beroepen ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het Gerechtshof verklaart de hoger beroepen ongegrond en bevestigt de aanslagen en verzuimboetes.