Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
- voor recht zal verklaren dat PWRI de anticumulatiebepaling uit het pensioenreglement (artikel 17 van Pro Onderdeel B) niet correct heeft uitgevoerd
- voor recht zal verklaren dat PWRI jegens [appellant] in strijd heeft gehandeld met de WGBH/CZ door zijn pensioenaanspraken te verlagen met een fictieve WAO-uitkering van € 19.880 in plaats van zijn werkelijke WAO-uitkering van € 5.566;
- voor recht zal verklaren dat de toepassing van het anticumulatiebeding door PWRI nietig is;
- PWRI zal veroordelen om met terugwerkende kracht tot 1 augustus 2013 de pensioenaanspraken van [appellant] te bepalen door bij de vaststelling van het voorwaardelijk pensioen zijn werkelijke WAO-uitkering in mindering te brengen en met inachtneming daarvan het ouderdomspensioen actuarieel te herrekenen;
- PWRI zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting veertien dagen na betekening van het arrest zorg te dragen voor schriftelijk bewijs van PWRI dat de pensioenaanspraken behorend bij dit arrest zijn uitbetaald aan [appellant] , dit op straffe van een dwangsom van € 750,- per dag voor elke dag of gedeelte daarvan dat PWRI niet voldoet aan het arrest;
- PWRI zal veroordelen tot betaling van wettelijke rente vanaf de dag van verzuim, zijnde 1 augustus 2013, althans 19 mei 2015, althans vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening; althans in goede justitie door Uw Hof te bepalen;
- PWRI zal veroordelen tot betaling van de kosten van deze procedure en de kosten van eerste aanleg, daarin begrepen het salaris van gemachtigde en nakosten.