ECLI:NL:GHAMS:2018:3293
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over partnervrijstelling erfbelasting bij mantelzorg zonder mantelzorgcompliment
Belanghebbende, zoon en enig erfgenaam van zijn moeder, heeft thuis intensieve zorg verleend aan erflaatster tot haar overlijden in 2013. Hij heeft echter in 2012 geen mantelzorgcompliment ontvangen, een uitkering bedoeld in artikel 19a van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
De inspecteur legde erfbelasting op met toepassing van de kindervrijstelling. Belanghebbende stelde in bezwaar en beroep dat hij recht had op de partnervrijstelling, omdat hij als mantelzorger moest worden aangemerkt. Zowel rechtbank als hof oordeelden dat de wettelijke voorwaarde voor de partnervrijstelling niet was vervuld, omdat het mantelzorgcompliment ontbrak.
Het hof overwoog dat de wetgever binnen zijn ruime beoordelingsvrijheid onderscheid mag maken tussen mantelzorgers die wel en niet het mantelzorgcompliment ontvingen, mede vanwege controleerbaarheid en uitvoerbaarheid. Het hof verwierp ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het eigendomsrecht uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, omdat de erfbelasting geen buitensporige last vormde.
De specifieke omstandigheden van belanghebbende, zoals zijn diagnose Asperger en de emotionele last, leidden niet tot een andere beoordeling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat belanghebbende geen recht heeft op de partnervrijstelling erfbelasting wegens het ontbreken van het mantelzorgcompliment.