ECLI:NL:GHAMS:2018:2842
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van stelselmatige belaging met inbreuk op persoonlijke levenssfeer
De verdachte werd aanvankelijk door de politierechter veroordeeld voor belaging, waarna het gerechtshof Amsterdam in hoger beroep de straf wijzigde en een voorwaardelijke gevangenisstraf oplegde. Na cassatie door de Hoge Raad werd de zaak terugverwezen naar het hof voor hernieuwde behandeling.
In het nieuwe onderzoek stelde het hof vast dat de verdachte gedurende ongeveer anderhalve maand de aangever, diens echtgenote en hun werkgevers meerdere malen benaderde en zich negatief uitliet over hun zoon en/of over de aangever. Hoewel dit gedrag onfatsoenlijk en hinderlijk was, oordeelde het hof dat het niet voldeed aan de wettelijke criteria voor een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zoals bedoeld in artikel 285b Sr.
Verder werd vastgesteld dat het opvragen van informatie bij het BIG-register wettelijk toegestaan is. Het hof concludeerde dat het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kon worden en sprak de verdachte vrij. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen omdat de verdachte niet schuldig werd bevonden aan het ten laste gelegde handelen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van stelselmatige belaging.