ECLI:NL:GHAMS:2018:1230
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel door gerechtshof Amsterdam
Het openbaar ministerie vorderde in eerste aanleg dat aan de veroordeelde een geldbedrag zou worden opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk geschat op €1.719.179,53 en later beperkt tot €455.845,-. De veroordeelde was eerder veroordeeld wegens overtreding van milieuwetgeving door een rechtspersoon.
De meervoudige economische strafkamer van de rechtbank Amsterdam wees de vordering van het openbaar ministerie af bij vonnis van 6 februari 2017. Het openbaar ministerie stelde hiertegen hoger beroep in bij het gerechtshof Amsterdam.
Na onderzoek ter terechtzitting op 26 januari 2018 en bestudering van de stukken, bevestigde het hof het vonnis van de rechtbank. Het hof verklaarde expliciet dat het vonnis van 6 februari 2017 was gewezen door de economische kamer van de rechtbank Amsterdam.
Het arrest werd uitgesproken op 9 februari 2018 door de economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarbij één van de rechters niet kon medeondertekenen.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de afwijzing van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.