Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 1 augustus 2017 het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 oktober 2016 vernietigd en de veroordeelde veroordeeld tot betaling van €20.654 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De veroordeelde was veroordeeld voor het telen van hennep in de periode van 1 juni 2014 tot en met 25 juni 2015.
In hoger beroep werd de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel opnieuw vastgesteld. Uitgangspunt was dat de veroordeelde vier oogsten heeft gehad met gemiddeld 130 planten per oogst, een opbrengst van 16,1 gram per plant en een prijs per gram van €3,28, gebaseerd op het BOOM-rapport. Kosten zoals elektriciteit, afschrijvingen en variabele kosten werden in mindering gebracht.
De berekening leidde tot een totaal wederrechtelijk verkregen voordeel van afgerond €20.654. De rechtbank had een hoger bedrag vastgesteld, maar het hof matigde dit na nadere analyse van opbrengst en kosten. De veroordeelde werd verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen. De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.