ECLI:NL:GHAMS:2017:51
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging bevel gevangenhouding wegens ontbreken expliciete vordering officier van justitie
In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam het hoger beroep behandeld tegen een beslissing van de rechtbank Amsterdam die een bevel tot gevangenhouding bevatte. De verdachte verbleef in voorlopige hechtenis in de Penitentiaire Inrichting Noord Holland Noord te Zwaag. Het hof heeft de stukken bestudeerd en de advocaat-generaal en verdachte gehoord.
Uit het proces-verbaal van de politierechter bleek dat de officier van justitie tijdens de zitting geen schriftelijke of mondelinge vordering tot gevangenhouding had gedaan. Ook was er geen schriftelijke vordering in het dossier aanwezig. Artikel 65 van Pro het Wetboek van Strafvordering vereist echter dat gevangenhouding alleen kan worden bevolen op expliciete vordering van de officier van justitie.
De advocaat-generaal stelde dat er sprake was van een impliciete vordering, omdat het duidelijk was dat de officier van justitie wilde dat de verdachte vast zou blijven zitten. Het hof erkende dat de intentie aanwezig kon zijn, maar oordeelde dat een impliciete vordering niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Bovendien was niet gebleken dat de verdachte op de vordering was gehoord, wat ook wettelijk verplicht is.
Daarom concludeerde het hof dat het bevel tot gevangenhouding gebrekkig tot stand was gekomen en vernietigde het bevel. Deze beslissing werd genomen in raadkamer op 11 februari 2017 door de genoemde raadsheren.
Uitkomst: Het bevel tot gevangenhouding wordt vernietigd wegens het ontbreken van een expliciete vordering van de officier van justitie.