ECLI:NL:GHAMS:2017:3245
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ontnemingsvordering wegens niet voldoen aan oude artikel 36e Sr voorwaarden
De veroordeelde werd in eerste aanleg veroordeeld voor onder meer medeplegen van overtredingen van de Opiumwet en witwassen. Het openbaar ministerie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk geschat op €125.495, later bijgesteld tot €122.108. De rechtbank stelde het voordeel vast op €50.000 en legde een ontnemingsbedrag van €44.175 op.
Zowel het openbaar ministerie als de veroordeelde gingen in hoger beroep tegen dit vonnis. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de ontnemingsvordering af omdat de voorwaarden van het oude artikel 36e Sr niet zijn vervuld. Het hof oordeelt dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vordering, ondanks bezwaren van de verdediging over termijnoverschrijding en vermeende toezeggingen.
De redelijke termijn is overschreden, maar dit leidt niet tot niet-ontvankelijkheid, slechts tot compensatie in de vorm van vermindering van het te ontnemen bedrag. De advocaat-generaal stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel in hoger beroep vast op €117.108, na aftrek van verbeurdverklaard bedrag €5.825, maar het hof wijst de vordering af. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 14 juli 2017.
Uitkomst: De ontnemingsvordering wordt afgewezen omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van het oude artikel 36e Sr.