ECLI:NL:GHAMS:2017:2366

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
22 juni 2017
Publicatiedatum
22 juni 2017
Zaaknummer
23-003887-16
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3a OpiumwetArt. 378a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne in auto

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam, waarin verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk aanwezig hebben van circa 3,07 gram cocaïne in een auto. De verdachte zat samen met een vriend in diens auto en ontkende te weten dat er cocaïne aanwezig was.

Tijdens de terechtzitting in hoger beroep verklaarde verdachte dat hij die avond voor het eerst in de auto van zijn vriend was gestapt en niet op de hoogte was van de drugs. Het hof oordeelde dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevatte om het opzet van verdachte te bewijzen.

Daarom vernietigde het hof het vonnis van de politierechter en sprak verdachte vrij van het ten laste gelegde. De advocaat-generaal had een geldboete van 400 euro gevorderd, maar het hof vond dat de bewijsvoering niet overtuigend was.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 21 juni 2017.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken omdat niet wettig en overtuigend is bewezen dat hij wist van de aanwezigheid van cocaïne in de auto.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003887-16
datum uitspraak: 21 juni 2017
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 4 oktober 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-026884-15 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 juni 2017.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 10 januari 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,07 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van 400 euro, eventueel te betalen in termijnen.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof als volgt.
De verdachte is op 10 januari 2015 samen met een vriend aangetroffen in een auto ter hoogte van perceel [adres 2] , te Amsterdam. In de auto bevonden zich zeven wikkels met daarin een witte poeder, zijnde cocaïne. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de auto van zijn vriend was, dat hij vlak voor zijn aanhouding en voor het eerst die avond in die auto was gestapt en dat hij niet wist dat er cocaïne in die auto lag.
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de inhoud van het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor een veroordeling van de verdachte van het ten laste gelegde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.J.M.W. Paridaens, mr. A.D.R.M. Boumans en mr. A. van Verseveld, in tegenwoordigheid van N. Hannaart, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 juni 2017.