ECLI:NL:GHAMS:2017:1782
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Banktegoeden van letselschadevergoedingen behoren tot heffingsgrondslag sparen en beleggen
Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting 2013, waarin een bedrag van €93.350 aan bank- en spaartegoeden was opgenomen, inclusief ontvangen letselschadevergoedingen. De inspecteur had bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en belanghebbende ging in hoger beroep.
Het geschil betrof de vraag of de rendementsgrondslag voor de heffing in box 3 verminderd mag worden met het deel van de banktegoeden dat bestaat uit nog niet uitgegeven letselschadevergoedingen. Belanghebbende stelde dat deze vergoedingen niet als vermogen moeten worden gezien omdat zij specifiek bedoeld zijn ter dekking van geleden en toekomstige schade.
Het hof overwoog dat de wet geen vrijstelling biedt voor deze schadevergoedingen binnen de grondslag van box 3 en dat de rechter niet bevoegd is om de billijkheid van de wet te toetsen. De bewijslastverdeling werd als normaal gehanteerd, waarbij belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat een vermindering gerechtvaardigd was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.