ECLI:NL:GHAMS:2017:158
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting voorlopige hechtenis ondanks schending snelheidseis EVRM
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam tot voorlopige hechtenis. De raadsman van verdachte stelde dat de behandeling van het hoger beroep niet 'speedily' had plaatsgevonden zoals vereist in artikel 5, vierde lid, EVRM, wat een schending van het recht op een snelle rechtsgang opleverde.
Het hof stelde vast dat de behandeling van het hoger beroep inderdaad langer duurde dan gebruikelijk en wenselijk, waardoor de snelheidseis van het EVRM werd geschonden. Desondanks oordeelde het hof dat deze schending niet zodanig was dat dit gevolgen moest hebben voor de voortzetting van de voorlopige hechtenis.
Er waren ernstige bezwaren tegen verdachte, die zich vermoedelijk in georganiseerd verband met handel in harddrugs bezighield. Verdachte had een eerdere veroordeling voor het bezit van verdovende middelen, wat het risico op recidive verhoogt. Het hof achtte de vrees gerechtvaardigd dat verdachte bij vrijlating opnieuw strafbare feiten zou plegen die de veiligheid van personen in gevaar brengen.
Het feit dat medeverdachten anders werden behandeld, leidde niet tot een schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat onvoldoende informatie over hun zaken beschikbaar was. Het hof wees het beroep af en bevestigde de voortzetting van de voorlopige hechtenis.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bevestigt de voortzetting van de voorlopige hechtenis ondanks schending van de snelheidseis EVRM.