Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
,
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak stond de juistheid van een naheffingsaanslag BPM centraal, waarbij de waardebepaling van een beschadigde BMW 530 DA Touring onderwerp van geschil was. De erflater had aangifte gedaan met een lage BPM-berekening gebaseerd op een taxatierapport, terwijl de inspecteur een hogere naheffingsaanslag oplegde na een hertaxatie. De rechtbank had de naheffingsaanslag verminderd, maar het Hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Het Hof beoordeelde de vastgestelde historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde van de referentieauto. De inspecteur had de nieuwprijs gemotiveerd vastgesteld op € 84.237, wat het Hof juist achtte. De discussie spitste zich toe op de waardevermindering door schade en de aftrekbaarheid van herstelkosten. Het Hof vond dat niet alle herstelkosten volledig in mindering konden worden gebracht, en dat de taxateur op juiste wijze rekening had gehouden met factoren zoals courantheid, leeftijd en gebruikssporen.
De door de inspecteur gebruikte taxatierapporten werden als onafhankelijk en betrouwbaar beoordeeld. Het Hof verwierp het betoog van belanghebbende dat het rapport onvoldoende rekening hield met alle schade, waaronder airbags. De berekening van herstelkosten door belanghebbende leidde tot een onwaarschijnlijke negatieve waarde van de auto, wat het Hof niet aannemelijk vond.
De slotsom was dat het hoger beroep ongegrond werd verklaard en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 1 maart 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag BPM wordt bevestigd.