ECLI:NL:GHAMS:2016:777
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongegrondheid klacht tegen weigering terugbetaling onterecht ingehouden vakantiegelden
Klager heeft een klacht ingediend tegen een toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder die weigerde vakantiegelden terug te betalen die sinds 2010 waren ingehouden. Klager baseerde zijn verzoek op het arrest van de Hoge Raad van 31 oktober 2014, waarin werd bepaald dat op inkomen dat slechts door de jaarlijkse uitbetaling van vakantiegeld boven de beslagvrije voet per maand uitkomt, geen beslag mogelijk is.
De gerechtsdeurwaarder verweerde zich met het argument dat de ontvangen bedragen al waren doorgestort aan de opdrachtgever en verwees naar artikel 6:204 lid 2 BW Pro. Klager stelde dat de gerechtsdeurwaarder de gelden had moeten parkeren op een derdengeldenrekening totdat de Hoge Raad uitspraak deed en dat het beroep op het genoemde wetsartikel misbruik van bevoegdheid was.
Het hof oordeelde dat de klacht over het weigeren van terugbetaling niet-ontvankelijk was voor zover het ging om geldvorderingen, omdat de tuchtrechter niet bevoegd is om daartoe te beslissen. Het hof bevestigde dat de gerechtsdeurwaarder niet laakbaar heeft gehandeld door de gelden te innen en door te betalen aan de opdrachtgever, gezien de wisselende rechtspraak en het ontbreken van een terugbetalingsplicht vóór het arrest van de Hoge Raad.
De klacht werd daarom ongegrond verklaard en de bestreden beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders werd bevestigd.
Uitkomst: De klacht tegen de weigering tot terugbetaling van de vakantiegelden is ongegrond verklaard en de bestreden beslissing bevestigd.