Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
0,00
0,00
Gerechtshof Amsterdam
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de juistheid van een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) centraal, opgelegd aan belanghebbende naar aanleiding van de waardebepaling van een schadeauto. De rechtbank had de naheffingsaanslag verminderd door de handelsinkoopwaarde van de auto, inclusief aanwezige schade, vast te stellen op €24.000. Zowel belanghebbende als de inspecteur gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De kern van het geschil betreft de waardedrukkende invloed van de schade op de handelsinkoopwaarde van de referentieauto. Het hof bevestigt dat herstelkosten niet volledig in mindering kunnen worden gebracht op de handelswaarde, omdat er geen een-op-een-relatie bestaat tussen herstelkosten en handelsinkoopwaarde. Het hof verwerpt de taxatierapporten van beide partijen vanwege onwaarschijnlijkheden en stelt de handelsinkoopwaarde in goede justitie vast op €24.000.
Daarnaast oordeelt het hof dat de door belanghebbende betaalde prijs in Duitsland niet als referentie kan dienen voor de Nederlandse markt, omdat deze transactie tussen twee handelaren plaatsvond en niet tussen een particulier en een handelaar. Het hof bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: Het hof bevestigt de naheffingsaanslag en stelt de handelsinkoopwaarde in goede justitie vast op €24.000.