ECLI:NL:GHAMS:2016:1373
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek opheffing en schorsing voorlopige hechtenis wegens invoer harddrugs
De verdachte werd in maart 2012 in verzekering gesteld op verdenking van het invoeren van cocaïne en vervolgens in bewaring gesteld wegens ernstige bezwaren en vluchtgevaar. Na vrijlating in april 2012 werd hij in hoger beroep door het hof in januari 2016 veroordeeld tot 70 maanden gevangenisstraf voor de invoer van ruim 27 kilogram cocaïne.
Naar aanleiding van de gelaste gevangenneming in maart 2016 verzocht de verdachte om opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis, stellende dat hij zijn leven had opgebouwd en bereid was voorwaarden te accepteren. De advocaat-generaal adviseerde afwijzing.
Het hof oordeelde dat het toetsingskader van artikel 5 EVRM Pro leidend is en dat het uitgangspunt dat een verdachte in vrijheid zijn cassatieberoep afwacht niet geldt. Gezien de ernst van het feit, de grote hoeveelheid drugs en de rol van de verdachte als bagagemedewerker op Schiphol, is er sprake van ernstige bezwaren en een geschokte rechtsorde.
Het hof achtte aannemelijk dat vrijlating na veroordeling tot 70 maanden gevangenisstraf maatschappelijk onrust zou veroorzaken. Bij gebrek aan bijzondere persoonlijke omstandigheden wees het hof het verzoek tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis af.
De beschikking werd gegeven door de raadkamer van het gerechtshof Amsterdam op 3 maart 2016.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis af en bepaalt dat de hechtenis dient voort te duren.